Draai je tablet om verder te gaan.
WEB_24ZKIJ94_Haarlem_A1-A2 lang_ochtend_Heidi Uitloggen

Grammaticatrainer

2.23 het werkwoord met twee delen: ik ben uitgestapt

1

Luister naar het woord.

Wat hoor je?

4 van de 4 goed.
Opnieuw invullen

2

Luister naar het woord.

Wat hoor je?

4 van de 4 goed.
Opnieuw invullen

3

Luister naar de zin.

Lees de vraag.

Kies het goede antwoord. 

Ben ik klaar met uitstappen?

Ben ik klaar met uitstappen?

Is hij klaar met overstappen?

Is hij klaar met overstappen?

4 van de 4 goed.
Opnieuw invullen

4

Luister naar de zin.

Wat hoor je?

4 van de 4 goed.
Opnieuw invullen

5

Luister naar de zin.

Kies het goede antwoord.

We zijn een halte eerder ...

Op welk station ben je ...

Mijn vader is vlakbij mijn huis ...

Hoe laat zijn jullie het vliegtuig ...

4 van de 4 goed.
Opnieuw invullen

6

Luister naar de zin.

Kies het goede antwoord.

... je op tijd uitgestapt?

Ze ... op het station ingestapt.

We ... in Den Haag overgestapt.

Hij ... net op tijd ingestapt.

4 van de 4 goed.
Opnieuw invullen

7

Luister naar de zin.

Zet de woorden op de goede plaats.

Je bent te vroeg uitgestapt.

Hij is op Schiphol overgestapt.

Op welk station zijn jullie ingestapt?

Ik ben bij het park ingestapt.

4 van de 4 goed.
Opnieuw invullen

8

Lees de zin.

Kies het goede antwoord.

Ik ben de trein ...

Op welk station zijn jullie ...

Hij is in Venlo ...

Hij is bij de Jumbo ...

4 van de 4 goed.
Opnieuw invullen

9

Lees de zin.

Kies het goede antwoord.

Hij ... bij de verkeerde halte uitgestapt. 

Je ... te vroeg uitgestapt.

We ... in Amsterdam ingestapt.

Ik ... op Schiphol overgestapt.

4 van de 4 goed.
Opnieuw invullen

10

Lees de zin.

Sleep het woord naar de juiste plek in de zin.

Je bent   bij de verkeerde halte uitgestapt.

Ik ben   niet bij het station uitgestapt.

We   zijn in Den Haag overgestapt.

3 van de 3 goed.
Opnieuw invullen

11

Lees de zinnen.

Welke zin is goed?

4 van de 4 goed.
Opnieuw invullen

12

Lees de woorden.

Zet de woorden op de goede plaats.

Hij is hier overgestapt.

Julia en David zijn vijf minuten geleden ingestapt.

Jullie zijn op tijd ingestapt.

Ik ben een uur geleden ingestapt.

4 van de 4 goed.
Opnieuw invullen
Wat is de regel?

Dit is de regel:

 

uitstappen  
Ik stap op tijd uit. Ik ben op tijd uitgestapt.
   
overstappen  
Anna stapt op Schiphol over. Anna is op Schiphol overgestapt.
   
instappen  
We stappen bij het park in. We zijn bij het park ingestapt.

 

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.