Draai je tablet om verder te gaan.
WEB_24ZKIJ94_Haarlem_A1-A2 lang_ochtend_Heidi Uitloggen

Grammaticatrainer

2.22 het werkwoord met twee delen: ik heb opgeruimd

1

Luister naar het woord.

Wat hoor je?

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

2

Luister naar het woord.

Wat hoor je?

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

3

Luister naar de zin.

Lees de vraag.

Kies het goede antwoord.

Ben ik klaar met opruimen?

Ben ik klaar met opruimen?

Is het eten klaar?

Is het eten klaar?

Is de docent klaar met uitleggen?

Is de docent klaar met uitleggen?

Is Anna klaar met afrekenen?

Is ze klaar met afrekenen?

Zijn we klaar met schoonmaken?

Zijn we klaar met schoonmaken?

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

4

Luister naar de zin.

Wat hoor je?

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

5

Luister naar de zin.

Kies het goede antwoord.

Anna en John hebben hun keuken ... 

Julia heeft het pakje ...

Ik heb een nieuwe pinpas ...

Ik heb het formulier al ...

We hebben de afspraak ...

We hebben alles samen ...

De kinderen hebben hun bedden ... 

Hebben ze het afval al ...

Ik heb je boek op je tafel ...

Hij heeft ons voor zijn feestje ...

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

6

Luister naar de zin.

Kies het goede antwoord.

We ... de boodschappen afgerekend.

Sarah ... de kleren teruggestuurd. 

... je goed opgelet?

... je de bedden al opgemaakt?

We ... de keuken opgeruimd.

Hij ... het pakje opengemaakt.

... jullie het formulier al ingeleverd?

Mijn vader ... mijn zoontje opgetild.

Mijn vriend ... alles al afgerekend.

David ... de afspraak bij de dokter afgezegd.

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

7

Luister naar de zin.

Zet de woorden op de goede plaats.

Ik heb het cadeau ingepakt.

De docent heeft de opdracht uitgelegd.

We hebben alles bij de kassa afgerekend.

Mijn moeder heeft de buren voor het eten uitgenodigd.

Ik heb de schoenen naar de webwinkel teruggestuurd.

Ik maak een fout. Ik heb niet goed opgelet.

Hij heeft het probleem gelukkig opgelost.

Mijn man heeft onze afspraak afgezegd.

Oei! Ik heb net niet uitgecheckt.

Mijn zus is nu getrouwd. Ze heeft eerst samengewoond.

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

8

Lees de zin.

Kies het goede antwoord.

Hebben jullie het probleem ...

David heeft zijn naam en adres ...

Hij heeft mijn boek op tafel ...

Ik heb de kinderen net van school ...

Hebben jullie wel goed ...

We hebben dit weekend ons huis ...

Ze heeft het cadeau niet meteen ...

Dat meisje heeft vroeger veel bij ons ...

Heb je al een pinpas ...

We hebben de afspraak ...

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

9

Lees de zin.

Kies het goede antwoord.

Julia ... haar kinderen opgehaald.

Adam ... zijn flat schoongemaakt.

... jullie het formulier al ingevuld?

Mijn moeder ... het pakje teruggestuurd. 

... je je bed al opgemaakt?

We ... dit weekend eindelijk ons huis opgeruimd. 

Anna ... de soep voor ons klaargemaakt.

Ik ... de afspraak met mijn vader afgezegd.

Alle cursisten ... hun huiswerk al ingeleverd. 

... jullie de buren ook uitgenodigd?

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

10

Lees de zin. 

Sleep het woord naar de juiste plek in de zin.

Hebben jullie   een formulier aangevraagd?

Heb je   het brood en de melk afgerekend?

Ik heb   het pakje teruggestuurd.

Layla   heeft de afspraak afgezegd.

Hij   heeft het probleem opgelost.

Ze heeft   haar naam en adres ingevuld.

Mijn moeder heeft   de bedden opgemaakt.

Hij   heeft het eten klaargemaakt.

Ik heb   mijn zusje opgehaald.

Ze hebben   een jaar samengewoond.

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

11

Lees de zinnen.

Welke is goed?

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

12

Lees de woorden.

Zet de woorden op de goede plaats. 

Mijn vrouw heeft onze afspraak  afgezegd.

We hebben de rijst klaargemaakt.

Julia heeft gisteren opgepast.

Ze hebben al hun vrienden uitgenodigd.

Ik heb een nieuwe pinpas aangevraagd.

We hebben de boodschappen afgerekend.

Ze hebben het mooie cadeau ingepakt.

heeft de opdracht goed uitgelegd.

Mijn man heeft onze kinderen opgehaald.

Ik heb het cadeau opengemaakt.

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen
Wat is de regel?

Dit is de regel:

 

opruimen  
Ik ruim de kamer op. Ik heb de kamer opgeruimd.
   
klaarmaken  
Anna maakt de soep klaar. Anna heeft de soep klaargemaakt.
   
inpakken  
We pakken het cadeau in. We hebben het cadeau ingepakt.

 

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.