Draai je tablet om verder te gaan.
WEB_24ZKIJ94_Haarlem_A1-A2 lang_ochtend_Heidi Uitloggen

Grammaticatrainer

7.4 me, je, u, hem, haar, ons, jullie, ze

1

Luister naar de zin.

Wat hoor je?

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

2

Luister  naar de zinnen.

Wat hoor je?

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

3

Luister naar de zinnen.

Kies het goede antwoord.

Ik wacht op ...

We wachten op ...

Meneer, kunt u ... helpen?

Ik begrijp ... niet.

Ik kook voor ...

Haar man kookt voor ...

Ze houdt van ...

Anna en Layla, mag ik ... iets vragen?

Dag Layla. Kom je bij ... eten?

Ik zie ... niet.

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

4

Luister naar de zinnen.

Kies het goede antwoord.

Ik zorg voor ... 

Layla is ziek. Ik zorg voor ...

Ik zie ...

Ze koken voor ...

Ik praat graag met ...

Mijn vriend doet boodschappen voor ... 

De dokter geeft een recept aan ... 

Hij spreekt vaak Nederlands met ... 

De hamburger is voor ...

Hij kent ... heel goed. 

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

5

Luister naar de zin.

Zet de woorden op de goede plaats.

Begrijpt u me niet?

Mijn moeder houdt van me.

Ik vind jullie aardig.

Kom je bij ons eten?

We vinden hem lief.

Adam haalt brood voor me.

Ik zie jullie niet.

Ik kan haar niet helpen.

Ik begrijp hem niet.

Ik wil je graag helpen.

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

6

Lees de zinnen.

Kies het goede woord.

Wat zegt ze? Ik begrijp ... niet.

Wat zegt hij? Ik begrijp … niet.

Wat zeggen ze? Ik begrijp ... niet.

Ik heb brood nodig. Kan je brood voor … kopen?

We zijn om tien uur thuis. Wacht je thuis op …?

Sofia, ik hou van … !

Mevrouw, kan ik een glas water voor ... halen?

We willen jullie graag zien. Waar ontmoeten we ... ?

David haalt koffie voor ...  Ik vind dat fijn. 

Waar is Mohammed? Ik zie … niet.

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

7

Lees de zinnen.

Welke zin is goed?

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

8

Lees de woorden. 

Zet de woorden op de goede plaats.

Ik begrijp haar niet.

Kunnen jullie hem helpen?

Zal ik je e-mailen?

John ziet me niet.

Ik begrijp jullie niet.

Julia houdt van me.

Mag ik u iets vragen?

We begrijpen jullie goed.

Hij luistert naar ze.

Kunt u ons helpen?

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen
Wat is de regel?

Dit is de regel:

 

één persoon    
Ik heb een vriend. Hij helpt me. ik - me
   
Sofia, je bent lief. Ik help je.   je - je
Mevrouw, u bent aan de beurt. Ik help u graag. u - u
   
De vrouw is oud. Ze is ziek. Ik help haar ze - haar
De man is oud. Hij is ziek. Ik help hem. hij - hem
   

meer personen

 
We hebben een vriend. Hij helpt ons. we - ons
   
Anna en Sofia, jullie zijn lief. Ik help jullie. jullie - jullie
   
De man en vrouw zijn oud. Ze zijn ziek. Ik help ze.   ze - ze

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.