Praten over je huis
A: Waar woon je?
B: Ik woon in Rotterdam.
A: In wat voor huis woon je?
B: Ik woon in een appartement.
A: Met wie woon je?
B: Ik woon met mijn broer.
A: Hoeveel kamers heeft je huis?
B: We hebben twee slaapkamers, een woonkamer, een keuken en een badkamer.
A: Wat vind je fijn?
B: Het huis is licht. Dat vind ik fijn.
Ik woon op de tiende verdieping.
Dat is prima.
A: Wat vind je niet zo fijn?
B: We wonen in een drukke straat.
Dat vind ik niet zo fijn.
De buren maken soms lawaai.
Dat vind ik een beetje vervelend.