Mary heeft veel spaargeld. Ze wil volgend jaar een mooie reis maken.
Khalil wil een auto kopen, maar hij heeft geen geld. Hij heeft een lening afgesloten bij de bank.
Wat wil je drinken? Ik heb alleen koffie en sinaasappelsap. Helaas is de keuze niet zo groot.
We wonen in een nieuwe wijk. Er zijn nog geen winkels. Gelukkig is er wel een school.