Draai je tablet om verder te gaan.

1 Wonen

Een huis kopen

1 Opdrachten

1

Kies het goede antwoord. Gebruik de informatie uit de tekst.

    Wendy heeft gisteren een woning bekeken met haar makelaar. Ze wil de woning graag kopen. Ze kan nu een bod doen op het huis.

    Bij het kopen van een woning bepalen de koper en verkoper samen de koopsom.

    Marin heeft een bod gedaan op een woning. De verkoper heeft het bod geaccepteerd. Marin kan nu de sleutel van het huis krijgen.

    Voor de financiering van een koophuis sluiten de meeste mensen een hypotheek af.

    Als je een hypotheek afsluit bij een bank, moet je maandelijks rente betalen.

    Als je een hypotheek hebt afgesloten, kun je gebruikmaken van de hypotheekrenteaftrek. Dit betekent dat je minder belasting hoeft te betalen.

    Een hypotheekadviseur helpt je bij het zoeken naar een koopwoning.

    Sevda heeft een koopcontract getekend. Dit betekent dat de koop officieel is. Ze is nu de eigenaar van de woning.

    8 van de 8 goed.
    Opnieuw invullen

    2

    Kies het goede antwoord. Gebruik de informatie uit de tekst.

    Als je een woning wilt kopen, moet je eerst ___. Daarna kun je op zoek gaan naar een geschikte woning.

    Jan is ___. Hij helpt mensen bij het kopen en verkopen van hun woning.

    Fatih heeft een leuk huis gezien op funda.nl. Helaas is de ___ te hoog voor zijn budget.

    Levi heeft 325.000 euro geboden voor het huis. De verkoper vindt dit bedrag te laag, daarom ___.

    Anne wil een huis kopen. Ze vindt het huis te duur. Daarom wil ze ___.

    Jadira heeft een woning gekocht. Ze gaat naar de ___ om het koopcontract te tekenen.

    6 van de 6 goed.
    Opnieuw invullen

    3

    Sleep de zinnen op de goede plaats. Gebruik de informatie uit de tekst.

    Roberto en Muria zoeken een huis. Wat gebeurt eerst, wat daarna?

    1 Ze bepalen hun budget.

    Ze kijken op woningsites en kiezen een geschikte woning.

    3 Ze bekijken de woning samen met een makelaar.

    4 Ze doen een bod op de woning en onderhandelen over de prijs.

    5 Ze tekenen een koopcontract.

    6 Ze regelen de financiering voor hun woning.

    7 Ze gaan naar de notaris en krijgen de sleutel.

    8 Ze gaan verhuizen.

    Opnieuw invullen

    Foutje!

    Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.