Draai je tablet om verder te gaan.

4 Onderwijs en opvoeding

Soorten onderwijs

1 Woorden oefenen

1

Lees de zin. Kies het goede antwoord.

Mijn vader heeft 40 jaar gewerkt. Hij heeft in zijn ___ verschillende functies gehad.

Mulki houdt van cijfers, ze kan goed rekenen. Ze wil later graag ___ studeren.

Onze zoon wordt over een maand vier jaar. Dan gaat hij naar de ___.

Ik wil een computercursus doen. Ik ga bij het buurtcentrum ___ hoeveel de cursus kost.

Zofia is al vier dagen ziek. Ze blijft ___ thuis.

Christiano heeft zijn examens gehaald. Volgende week krijgt hij zijn ___.

Maarten is leerkracht van groep 6. Hij heeft twintig ___ in zijn klas.

De ramadan is afgelopen. Vandaag is het Eid-al-fitr. Dat is een ___ feestdag.

Meneer Benali is 68 jaar. Hij hoeft niet meer te werken en hij geniet van zijn ___.

Maria moet 's avonds altijd om tien uur thuis zijn. Dat is een ___ van haar ouders.

0 van de 10 goed.
Kijk na

2

Sleep de goede woorden in de zin.

Juan en zijn ouders gaan elke zondag naar de kerk. Zijn familie is katholiek.

Vorige week ben ik begonnen met mijn nieuwe baan. Ik heb inmiddels al vijf dagen gewerkt.

Ik weet niet wat ik ga studeren. Ik vind het een lastige keuze.

Maryam heeft lang getwijfeld, maar nu is haar keuze definitief. Ze gaat wiskunde studeren.

Dexter heeft veel vervelende dingen meegemaakt. Daarom heeft hij veel psychische problemen.

Salwan maakt haar kleren zelf met een naaimachine. Ze is heel creatief.

De kinderen van groep 5 leren bij het vak geschiedenis hoe de mensen vroeger leefden.

Nhung wil graag in een ziekenhuis werken. Ze doet een opleiding voor verpleegkundige.

Mijn dochter vindt rekenen moeilijk. Gelukkig krijgt ze extra begeleiding van haar docent.

'U kunt beter nog even in bed blijven'. Dat was het advies van mijn huisarts.

Ik heb twee kinderen van 4 en 6 jaar. Ze zitten allebei op de basisschool. Daar leren ze veel.

Karim en Zhang kunnen goed voetballen. Ze scoren bijna in elke wedstrijd.

Ik weet niet hoe duur die telefoon is. Ik ga morgen  informeren bij de winkel.

Mijn oom en tante hebben heel vaak ruzie. Ze zijn het nooit met elkaar eens.

Mensen die niet meer kunnen werken omdat ze ziek zijn, hebben recht op een uitkering.

0 van de 3 goed.
Kijk na

3

Wat hoort bij elkaar?

de docent

de leerkracht

de leerling

de scholier

de regel

de wet

de opleiding

het onderwijs

de begeleiding

de hulp

Kijk na

4

Wat hoort bij elkaar?

Khaled heeft recht op onderwijs.

Hij mag naar school in Nederland.

De leerkracht geeft advies.

Hij zegt welke school bij me past.

Marcel is het met me eens.

Hij vindt het een goed idee.

Derek scroot een hoog cijfer op de toets.

Hij is een goede leerling.

Kijk na

5

Lees de vraag. Kies het goede antwoord.

Welke woorden horen bij 'vakken op school’?

Welke woorden horen bij 'de basisschool'?

0 van de 2 goed.
Kijk na

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.