Werk samen. Praat over de vragen. Gebruik opdracht 1.
Lees de situatie. Zoek het antwoord in de tekst van opdracht 1.
1. Emma koopt nieuwe schoenen.
Ze draagt de schoenen een paar keer.
De schoenen zijn te klein.
Kan ze de schoenen ruilen? Waarom?
2. Rohaan koopt een nieuwe broek.
De broek is te groot.
Hij heeft de bon niet meer.
Kan hij de broek ruilen? Waarom?
3. Manual koopt een jajse.
Het is twee maanden later. Hij wil het jasje ruilen.
Op de bon staat: ruilen binnen 14 dagen.
Kan hij het jasje ruilen? Waarom?