A werkt bij een webwinkel.
B is de klant. B wil een pakket terugsturen.
B belt de webwinkel.
A zegt wat B moet doen.
A: Goedemiddag, hoe kan ik u helpen?
B: Goedemiddag, ik wil een pakketje terugsturen.
Wat moet ik doen?
A: Vul .
Leg .
Plak .
Doe .
Ga naar .
En geef .
B: Oké, en kost dat geld?
A: .
B: Wanneer krijg ik mijn geld terug?
A: .
B: Oké, bedankt voor de informatie!