Luister naar de zin.
Lees de zin.
Kies het goede antwoord.
... jij de pizza's in de oven?
Doe
Maak
Sahar zit ... de computer.
achter
onder
Ik ga ... een e-mail sturen.
meteen
straks
Mijn telefoon is ... stuk.
nu al
ook al
Dat heb ik nog ... gedaan.
niet
nooit
Gelukkig, dat ... mee.
gaat
valt
Ik heb je een kwartier ... gebeld.
geleden
vroeger
Helaas, het ... niet.
lukt
werkt
Lees de zin. Sleep het goede woord in de zin.
Mijn moeder doet de was in de wasmachine.
Te lang achter de computer zitten is niet goed voor je ogen.
Hij komt uit Nederland, maar hij spreekt geen Nederlands. Dat is gek.
Sleep het goede woord in de zin.
Ah, nee, hè, we zijn te laat! De trein is net weg.
Wie is zij? Ik heb haar nog nooit gezien.
Een paar jaar geleden hebben we een nieuwe auto gekocht.
Helen is klaar met de les. Ze gaat meteen naar huis.
Het is dinsdag, maar ik zie niemand op school. Dat is vreemd.
Ik probeer het, maar het lukt niet.
Kamal woont 6 maanden in Nederland. Hij spreekt nu al goed Nederlands!
Oh nee, mijn telefoon valt in het toilet! Wat nu?
Ik heb om 14.00 uur een afspraak, maar de bus heeft vertraging. Nou, vervelend voor je.
Luister naar de zin. Lees de zin. Kies de goede reactie.
Ah, nee, hè!
Wat is er?
Wat wil je?
De tv doet het niet.
Dat is eng.
Dat is raar.
Ik ben mijn sleutel kwijt.
Wat fijn!
Wat nu?
Een kaartje kost maar 3 euro.
Dat smaakt goed.
Dat valt mee.
Ik wacht al een half uur op de bus.
Nou, vervelend.
Nou, voordelig.
Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.