Praten over vroeger
A: Wat vond je lastig op school?
B: Ik vond lezen vroeger lastig.
We hadden geen boeken thuis.
Er was ook geen bibliotheek in ons dorp.
A: Wat deed je vroeger vaak?
B: Ik speelde graag buiten.
Ik had veel vrienden in de buurt.
A: Waar ging je vaak naartoe?
B: Ik ging vaak naar het huis van mijn oom.
Daar was altijd lekker eten.
Ik at en dronk daar veel.
Mijn oom kwam ook vaak bij ons op bezoek.
Het was een leuke tijd.