Werk samen. Praat samen. Gebruik opdracht 4.
Lees de situatie. Hoe kun je reageren?
Gebruik de informatie van opdracht 4.
1. Je praat met je buurman. Hij zegt: ‘Ik kan niet goed met de computer werken. Wat kan ik doen?’
Vertel over een activiteit in de bibliotheek.
2. Je praat met een vriendin. Ze vraagt: ‘Morgen is er een filmavond in de bibliotheek. Ga je mee?’
Reageer en stel een vraag over de filmavond.
3. Je praat met een andere cursist. Hij zegt: ‘Ik heb twee kleine kinderen. Wat kunnen we in de bibliotheek doen?’
Vertel over een activiteit voor kinderen in de bibliotheek.
4. Je praat met een andere cursist. Hij zegt: ‘Er is een taalcafé in de bibliotheek. Zullen we samen gaan?’
Reageer en stel een vraag over het taalcafé.
5. Je praat met een vriend. Hij zegt: ‘Ik ga nooit naar de bibliotheek. Wat kun je daar doen?’
Vertel over twee activiteiten in de bibliotheek.