Luister naar de zin. Lees de zin. Kies het goede antwoord.
Je moet de cadeautjes één voor ... openmaken.
één
mij
Voor u het internet ..., moet u een wachtwoord invullen.
opengaat
opgaat
In de les is ... van uw mobiele telefoon verboden.
het gebruik
het geduld
Max moet zijn e-mail ...
verbeteren.
verbranden.
Anna ... een cursus Nederlands.
volgt
zingt
Ik probeer een gesprek in het Nederlands te ...
voelen.
voeren.
Zal ik ... langskomen in je nieuwe huis?
allang
eens
Lees de zin.
Sleep het goede woord in de zin.
Het gebruik van de wasmachine kost 5 euro.
Er is te veel lawaai in het magazijn. Je kunt er geen gesprek voeren.
Luister goed naar het weerbericht voor je de weg opgaat.
Ik wil een naaicursus volgen. Wat kost dat?
Heb je een nieuw huis? Ik kom snel eens langs.
Ze eet de koekjes één voor één op. Het pak is bijna leeg.
Wat hoort bij elkaar?
U kunt het internet
opgaan.
Het gebruik
van de computer is gratis.
Ze volgt
een cursus.
Hij wil zijn vaardigheden
Hij kan in het Nederlands een gesprek
De kinderen komen één
voor één binnen.
Luister naar de zin. Lees de zin. Kies de goede reactie.
Zal ik morgen eens langskomen in je nieuwe huis?
Dat is inderdaad niet normaal.
Ja gezellig, ik ben de hele dag thuis.
Het gebruik van de computer kost 1 euro.
Hoelang duurt de les?
Hoelang mag ik hem dan gebruiken?
Is het druk op het feest?
Nee, laten we maar gaan lopen.
Nee, de mensen komen één voor één binnen.
Welke cursus volg je?
De trein gaat om 12.00 uur.
Ik volg een kookcursus.
Ken je de buren goed?
Ja, we voeren vaak leuke gesprekken.
Ja, de buren zijn thuis.
Welke vaardigheden wil je graag verbeteren?
Soep. Dat vind ik lekker.
Lezen. Dat vind ik moeilijk.
Waarvoor wilt u de computer gebruiken?
Ik moet vroeg opstaan.
Ik wil het internet opgaan.
Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.