Draai je tablet om verder te gaan.

8 Politiek en rechtspraak

De democratie

1 Woorden oefenen

1

Lees de zin. Kies het goede antwoord.

Als je hier wilt werken, moet je een diploma hebben. Dat is een ___.

Ik wil later dokter worden, omdat mijn vader dat wil. Hij heeft veel ___ op me.

Ik ben blij dat ik naar Frankrijk verhuisd ben. Ik heb een goede ___ gemaakt.

Als mijn moeder ziek is, zorg ik voor haar. Ze hoeft dat niet te vragen. Dat vind ik ___.

Ik vind het leuk om met kinderen te werken. Dat is de ___ dat ik op een school werk.

Alle ___ van Nederland moeten belasting betalen.  

0 van de 6 goed.
Kijk na

2

Sleep het goede woord in de zin.

Deze trein is heel snel. Hij rijdt direct van Amsterdam naar Rotterdam.                   

Rood en blauw lijken niet op elkaar. Deze kleuren zijn verschillend.

Wil je sigaretten kopen? Dan moet je minimaal 18 jaar oud zijn.                      

Het is verplicht om een rijbewijs te hebben als je in een auto rijdt.

Mijn broer is heel blij met zijn nieuwe auto. Hij wil de auto graag aan ons laten zien.

Op maandag moet je deze opdracht inleveren bij je docent. Ze zal hem dan corrigeren.

Mijn ouders hebben een hoog salaris. Ze verdienen veel geld.

We verdelen de snoepjes over de kinderen. Ze krijgen allebei twee snoepjes.  

Als je naar het buitenland wil reizen, moet je een paspoort meenemen.

Er is een groot verschil tussen deze huizen. Ze zijn niet hetzelfde.

Stefan kan gratis boeken lenen. Hij is lid van de bibliotheek.

Ik schrijf niet met een pen. Ik gebruik liever een potlood.

Britt is werkloos. Ze krijgt een uitkering van de gemeente.

Mijn vrouw en ik hebben een eigen bedrijf. We moeten belasting aan de overheid betalen.

In de klas mag je niet eten. Dat is een regel van de docent.

Op een identiteitskaart staat je naam, je geboortedatum en je nationaliteit.

0 van de 4 goed.
Kijk na

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.