Draai je tablet om verder te gaan.

8 Politiek en rechtspraak

De Europese Unie

1 Woorden oefenen

1

Lees de zin. Kies het goede antwoord.

Je kunt deze opdracht niet alleen doen. Je moet ___ met een andere student.

Paola is ___ van de bibliotheek. Ze kan gratis boeken lenen.

Je kunt het geld ___ op mijn bankrekening. Je kunt niet contant betalen.

In het parlement en in de regering werken ___.

Gerda werkt bij een bank. Ze weet veel over financiële zaken, omdat ze ___ heeft gestudeerd.

Groente, fruit, melk en vlees zijn producten van de ___.

Tijdens de ___ mogen de inwoners kiezen wie de nieuwe president wordt.

We moeten minder energie gebruiken. Dat is beter voor het ___.

Nederland verkoopt veel producten aan het buitenland. Deze ___ is belangrijk voor de economie.

0 van de 9 goed.
Kijk na

2

Sleep de goede woorden in de zin.

De medewerkers stemmen welk plan ze het beste vinden.

De bussen vervoeren de toeristen van het vliegveld naar hun hotel.

U kunt het geld naar ons rekeningnummer overmaken.

Mark en zijn collega kunnen goed samenwerken. Ze vinden elkaar aardig.

Ons bedrijf repareert telefoons die kapot zijn. Met deze dienst verdienen we geld.

Dit bedrijf verkoopt bloemen uit Nederland in het buitenland. Het verdient veel met deze handel.

Joni is een burger van Nederland, want ze heeft een Nederlands paspoort.

Veel mensen uit het buitenland willen in Nederland wonen. De migratie is hoog.

0 van de 2 goed.
Kijk na

3

Wat hoort bij elkaar?

Je koopt en verkoopt spullen.

de handel

Je brengt spullen of mensen naar een andere plek.

vervoeren

Je doet iets voor iemand anders.

de dienst

Je kiest wat je het beste vindt.

stemmen

Je doet werk met iemand anders.

samenwerken

Je verhuist van één land naar een ander land.   

de migratie

Je stuurt geld naar een andere bankrekening.

overmaken

Kijk na

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.