Draai je tablet om verder te gaan.

6 Met de trein of met de bus?

We moeten in Utrecht overstappen

1 Doe de taak

Een reis plannen

1

Luister naar de tekst en lees mee.

 

Hoe laat gaat onze trein?

Han en Miki zijn thuis, in Amersfoort.

Ze willen naar Rotterdam met de trein.

Het is 10.15 uur.

Han wil vertrekken.

Miki is nog niet klaar.

Han

Kom, Miki, we moeten gaan.

Miki

Ja, ik weet het, maar ik kan mijn telefoon niet vinden.

Wil jij ook even zoeken?

Han

In je tas?

Miki

Nee, echt niet en ook niet in de keuken.

Han

Hier, op de bank.

Miki

Pfff, gelukkig, bedankt.

Hoe laat gaat onze trein?

Han

Om twee minuten voor half elf, maar die halen we niet meer.

En de volgende gaat ... ik kijk even.

O, die vertrekt om tien over half elf.

Maar dan moeten we overstappen in Utrecht.

Miki

Hmm ...

Han

Niet zo fijn hè?

Om twee minuten voor elf hebben we een directe verbinding.

Die trein komt om vijf voor twaalf aan in Rotterdam.

Miki

Dan nemen we die toch?

En dan halen we nog even koffie op het station.

Han

Oké, dat doen we. Kom we gaan.

2

Werk samen. Beantwoord de vragen.

Kijk naar de afbeeldingen. Dit is de reisplanner van Han.

1. Naar welke stad wil Han?  

2. Het is 10.45 uur. Han is op het station in Amersfoort. Voor welke trein is hij te laat?  

3. Welke trein kan Han nemen?  

4. Hoe laat is Han in Rotterdam?  



6.1.2a) 6.1.2b

3

Werk samen. Beantwoord de vragen.

Kijk naar de afbeelding. Deze trein nemen Han en Miki.

1. Van welk spoor vertrekt de trein?  
2. Op welk spoor komt de trein aan?  
3. Is het een directe verbinding of moeten ze overstappen?  
4. Wat is de reistijd?  



taak 1-lezen 3-200%

4

Werk samen. Luister naar de zinnen. Lees de zinnen hardop.

A begint.

Wissel daarna van rol.

Een reis plannen

A: Waar gaan we heen?

B: We gaan naar Rotterdam.

A: Hoe laat vertrekt de trein?

B: De trein vertrekt om twee voor elf.

A: Hoe laat komen we aan?

B: We komen om vijf voor twaalf aan.

A: Van welk spoor vertrekt de trein?

B: De trein vertrekt van spoor 6.

A: Moeten we overstappen?

B: Nee, het is een directe verbinding.

A: Wat is de reistijd?

B: De reistijd is 57 minuten.

5

Luister naar de docent. Gebruik je telefoon of computer.

De docent plant een reis op de telefoon of computer.

Typ hetzelfde als de docent.

Kijk mee op je eigen scherm.

6

Werk samen. Plan een reis. Gebruik de reisplanner 9292.

Jullie gaan naar een andere plaats in Nederland. 

Kies samen een plaats.

Beantwoord de vragen.

Zoek in de reisplanner 9292.

1. Waar gaan jullie heen?



2. Van welk station vertrekken jullie?



3. Hoe reizen jullie? Met de trein, tram, bus of metro?



4. Van welk spoor vertrekt de trein? Of welk nummer heeft de tram, de bus of de metro?



5.Hoe laat vertrekt de trein, tram, bus of metro?



6. Hoe laat komt die aan?



7. Moeten jullie overstappen? Hoe vaak?



8. Wat is de reistijd?



7

Werk samen. Praat samen. Gebruik opdracht 6.

A begint.

Wissel daarna van rol.

 

A vraagt aan B.

B gebruikt de antwoorden van opdracht 6.

A: Waar gaan we heen?

B: We gaan naar ...

A: Hoe laat vertrekt ...?

B: De ... vertrekt om ...

A: Hoe laat komen we aan?

B: We komen om ... aan.

A: Moeten we ...?

B: ...

A: Wat is de reistijd?

B: ...

8

Werk samen. Praat samen. Gebruik de reisplanner 9292.

A begint.

Wissel daarna van rol.

Kies een nieuwe reis.

 

A is in Zwolle.

A wil naar Utrecht.

B zoekt informatie over deze reis in de reisplanner 9292.

A vraagt informatie aan B over:

- de tijd (vertrek en aankomst)

- het spoor

- overstappen

- de reistijd

B geeft antwoord.

9

Lees het bericht. Schrijf een reactie.

Je gaat vrijdag met een vriend naar Utrecht. Je krijgt een bericht van je vriend.

Beantwoord de vragen.

Stuur naar je docent

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.