Draai je tablet om verder te gaan.

6 Met de trein of met de bus?

Ik reis elke dag met de bus

1 Routines oefenen

1

Luister naar de zin.

Lees de zin.

Kies het goede antwoord.

De tram ...

Hij is op school, ...

Ik ... droog.

Het is half zeven ...

... winter.

... de hele dag.

Het is koud ... de trein.

7 van de 7 goed.
Opnieuw invullen

2

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Het is koud buiten. Het  is winter.

Obada is moe. Hij kan gelukkig zitten.

Belina denkt aan de zomer. Ze wil graag naar een warm land.

Opnieuw invullen

3

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Ik kijk naar buiten.

Het is druk. Het is warm in de bus.

Daar is de bus! Net op tijd!

Opnieuw invullen

4

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

De bus heeft vertraging. Hij is helemaal vol.

Iedereen heeft haast.

Dat is mijn bushalte. Ik moet eruit.

Opnieuw invullen

5

Wat hoort bij elkaar?

Ik zit

lekker droog.

Iedereen heeft

haast.

Ik denk

aan de zomer.

Opnieuw invullen

6

Wat hoort bij elkaar?

Ik moet

eruit.

Ik sta

bij de bushalte.

Ik kijk

naar buiten.

Opnieuw invullen

7

Wat hoort bij elkaar?

Het is warm

in de bus.

Net

op tijd!

Het

regent.

Opnieuw invullen

8

Wat hoort bij elkaar?

Ik denk aan een fijne vakantie.

Ik zeg: 'Ik droom een beetje.' 

Het is druk in de bus. Ik ben moe.

Ik zeg: 'Gelukkig kan ik zitten.' 

Niemand praat in de winkel.

Ik zeg: 'Het is stil hier.'

Opnieuw invullen

9

Luister naar de zin.

Lees de zin.

Kies de goede reactie.

Hoe laat is het?

Waar ben je nu?

Waar is Alex?

Niemand praat hier.

Waarom zit je daar? Wat doe je?

5 van de 5 goed.
Opnieuw invullen

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.