Draai je tablet om verder te gaan.

6 Met de trein of met de bus?

Ik reis elke dag met de bus

1 Doe de taak

Vertellen hoe je reist

1

Lees de tekst.

 

Ik hou van de bus

Magda gaat elke dag met de bus naar Enschede.

Dit is het verhaal van Magda.

 

Het is half acht 's morgens.

Ik sta bij de bushalte.

Het is winter, het regent.

De bus stopt en de deuren gaan open.

Ik groet de buschauffeur en check in.

De bus is vol, maar ik kan gelukkig zitten.

Ik kijk naar de mensen in de bus.

Naast mij zit een man.

Hij slaapt, denk ik.

De vrouw achter mij kijkt op haar telefoon.

Ze eet een boterham met kaas.

 

Niemand praat, het is stil.

 

Ik kijk naar buiten.

De weg is nat en donker.

En ik zit lekker droog.

Ik hou van de bus.

Ik zie mensen op straat, auto's en fietsen.

Iedereen heeft haast.

Ik denk aan de zomer, aan de zon, aan het strand.

Ik droom een beetje.

Het is warm in de bus. 

Ik ...

 

Oeps, ik moet eruit!

Net op tijd!

2

Werk samen. Vertel het verhaal van Magda.

Gebruik de foto's. Kijk niet naar de tekst.

 

 thema 6-taak 4-2-H-100%

 

 

3

Werk samen. Luister naar het gesprek. Lees de zinnen hardop.

A begint.

Wissel daarna van rol.

Vertellen hoe je reist

A: Hoe reis je meestal?

B: Ik reis meestal met de bus.

A: Waar ga je naartoe?

B: Ik ga naar mijn werk.

A: Wat doe je in de bus?

B: Ik kijk naar buiten.

      Of ik bel met een vriend.

A: Wat doen de andere mensen?

B: Ze kijken op hun telefoon.

A: Vind je de reis fijn?

B: Ja, ik reis graag met de bus.

A: Waarom?

B: De bus is rustig.

      Ik kan altijd zitten.

4

Vul in. Hoe reis je?

 


    5

    Werk samen. Praat over de vragen. Gebruik opdracht 4.

    A stelt de vragen aan B.

    Wissel daarna van rol.

     

    1. Hoe reis je meestal? Waar ga je dan naartoe?

    2. Hoe reis je het liefst? Waarom?

    3. Hoe reis je niet zo graag? Waarom?

    6

    Werk samen. Praat samen.

    A begint.

     

    A gaat winkelen in het centrum.

    A vraagt: Hoe kan ik reizen?

    B kijkt naar de informatie.

    B geeft informatie over de fiets en de bus.

    B zegt:

    Je kunt met de ... gaan.

    De reistijd is ...

    De reis kost ...

    A kiest de beste reis en zegt waarom.

    thema 6-taak 4-6-H-100�

    7

    Werk samen. Praat samen.

    A begint.

     

    A gaat naar de Nederlandse les.

    A vraagt: Hoe kan ik reizen?

    B kijkt naar de informatie.

    B geeft informatie over de auto en de trein.

    B zegt:

    Je kunt met de ... gaan.

    De reistijd is ...

    De reis kost ...

    A kiest de beste reis en zegt waarom.

    thema 6-taak 4-7-H-100�

    8

    Lees het bericht. Schrijf een reactie.

    Je krijgt een bericht van iemand uit je klas.

    Beantwoord de vragen.

    Stuur naar je docent

    Foutje!

    Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.