Werk samen. Kies een situatie. Praat over de vragen.
Heb je nu een huisarts? Ja of nee? Praat over jouw situatie.
1 Je hebt een huisarts.
1. Hoe maak je een afspraak met je huisarts?
2. Praat je Nederlands met de huisarts? Of spreek je een andere taal?
3. Ben je tevreden met je huisarts?
2 Je hebt geen huisarts.
1. Wil je een huisarts?
2. Waar is een huisarts in je buurt?
3. Hoe kun je een huisarts krijgen? Wat denk je?