Lees de woorden.Kijk naar de plaatjes.Zet de woorden bij de goede plaatjes.
de tandpasta
de make-up
de tandenborstel
de kassa
de deodorant
de zeep
de luier
de paracetamol
de shampoo
de neusdruppel
het parfum
de pleister
Lees de zin.Kies het goede antwoord.
In fruit zitten veel ...
briefjes.
vitamines.
In de winkel: 'Sorry mevrouw, waar kan ik ...?'
afrekenen
afvallen
Ik ben in de apotheek. Ik krijg ... over mijn medicijnen.
advies
niemand
Waar staat de melk? Ik zie de melk ...
nergens.
niemand.
Ik heb geld nodig. Ik moet eerst ...
pinnen.
toetsen.
Lily is een nieuwe cursist. Ze zit ... twee dagen in onze klas.
pas
per
Ik doe veel ... op mijn tandenborstel.
tandpasta
zeep
Ik zit in de trein en mijn buurman ook. Dat is ...!
hartelijk
toevallig
Ik heb niet veel geld. Meestal koop ik chips van een goedkoop ...
merk.
werk.
Wilt u betalen? Ik loop met u ... naar de kassa.
mee
over
Bij de drogist kan je ... kopen.
vlees
Heeft u ... nog vragen? Of is het duidelijk?
rechtsaf
verder
Farid is in de badkamer en gebruikt zijn ...
korting.
tandenborstel.
Dit is ... huis. We wonen hier al vijf jaar.
ons
open
Zie jij de sleutels? Ze liggen hier ...
ergens.
iets.
Heb jij een goed idee? Ik kan niks ...
bedenken.
gebruiken.
Jamal heeft pijn. Hij heeft een ... nodig.
pleister
plek
Lees de zin.Sleep het goede woord in de zin.
Help! Ik kan mijn sleutels nergens vinden.Bij de kassa kunt u afrekenen. Ik zoek kamer 233. Kunt u met me meelopen?
Lees de zin.
Sleep het goede woord in de zin.
Ik wil graag afvallen. De huisarts geeft me advies.Vera gaat vanavond naar een feest. Ze heeft make-up op.Ik ga de boodschappen betalen. Ik wil pinnen.
Ik ruik niet lekker. Ik heb deodorant nodig!Omar eet niet gezond. Hij moet meer vitamines nemen.Nu heb ik geen geld. Ik krijg volgende week pas geld.
Je nieuwe parfum ruikt heel lekker!Ik ben in de winkel. De verkoopster helpt een klant.Ik ga met je mee naar de drogist. Ik wil toevallig ook medicijnen kopen.
Welke cola nemen we? Het dure of goedkope merk?De shampoo staat in de badkamer.Ik koop eieren en groente. Verder heb ik niks nodig.
We wonen in deze straat. Ons huisnummer is 24.
Mijn tas ligt ergens in deze kamer.
We gaan straks naar Rotterdam. Annisa bedenkt een goede route.
Wat hoort bij elkaar?
de hoofdpijn
verkouden
de neusdruppels
betalen
de baby
het advies
de verkoopster
Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.