Draai je tablet om verder te gaan.

9 Is dat wel veilig?

Wat is veiliger?

1 Woorden oefenen

1

Lees de woorden.
Kijk naar de plaatjes.
Zet de woorden bij de goede plaatjes.

de boot

de fietser

het vliegtuig

de brommer

Opnieuw invullen

2

Lees de zin. 
Kies het goede antwoord.

Wat drink je ...? Koffie of thee?

Het verkeer is hier druk. En er is ook een ... met een auto en een bus.

Mijn zoon wil niet naar de dokter. Hij is ...

Zij ... met haar auto naar Maastricht.

Een ... is sneller dan een fiets.

Je hebt geen licht op je fiets. Dat is ...!

Vandaag ben ik blij. Ik ... goed.

Ik ga de kamer opruimen en ... luister ik naar muziek.

Het kleine meisje mag de weg niet alleen ...

9 van de 9 goed.
Opnieuw invullen

3

Lees de zin.
Kies het goede antwoord.

Je moet ... rijden. Niet zo snel!

Ik ... niet naar de dokter, want ik spreek niet goed Nederlands.

Iemand van 18 jaar of ouder is een ...

We gaan niet met de auto naar Portugal. We gaan met het ...

De ... oefeningen zijn makkelijk, maar deze oefening vind ik moeilijk.

De jongen stopt en kijkt naar links en rechts. Hij kijkt goed ...

In Nederland kun je niet ... op bezoek gaan. Je moet eerst even bellen.

Je mag niet bellen in de auto. Dat is voor je eigen ...

8 van de 8 goed.
Opnieuw invullen

4

Lees de zin.
Sleep het goede woord in de zin.

Ik drink liever cola dan bier. Ik hou niet van alcohol.
Ik wil veilig rijden, dus ik bel niet in de auto.
Mevrouw Fang krijgt zomaar bezoek. Dat is gezellig!

Opnieuw invullen

5

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Bellen in de auto is gevaarlijk. Je kan niet bellen en rijden.
Het is donker en ik loop alleen op straat. Ik ben bang.
Ik maak eten in de keuken. Ik bel ondertussen mijn vriendin.

Opnieuw invullen

6

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Ik ben al een week ziek. Ik voel me slecht.
De auto rijdt snel: met de fiets duurt de reis langer.
Bij deze drukke straat moet je goed uitkijken.

Opnieuw invullen

7

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Ik zie geen auto's. Kom, we kunnen de straat oversteken.
Ik durf niet alleen met de trein te gaan. Ga je mee?
Pas op! In deze straat gebeuren vaak ongelukken.

Opnieuw invullen

8

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

De meeste kinderen vinden snoepjes lekker.
Een fietser rijdt op een fiets.
Adnan eet en kijkt ondertussen tv.

Opnieuw invullen

9

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

In het water ligt een boot.
Alcohol is voor kinderen een groot gevaar.
Ik rijd voorzichtig op mijn nieuwe fiets. Ik kijk goed naar links en rechts.

Opnieuw invullen

10

Wat hoort bij elkaar?

veilig

gevaarlijk

het kind

de volwassene

de veiligheid

het gevaar

Opnieuw invullen

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.