Lees de woorden.Kijk naar de plaatjes.Zet de woorden bij de goede plaatjes.
de boot
de fietser
het vliegtuig
de brommer
Lees de zin. Kies het goede antwoord.
Wat drink je ...? Koffie of thee?
lekker
liever
Het verkeer is hier druk. En er is ook een ... met een auto en een bus.
ongeluk
route
Mijn zoon wil niet naar de dokter. Hij is ...
bang.
blij.
Zij ... met haar auto naar Maastricht.
rijdt
ruilt
Een ... is sneller dan een fiets.
brommer
folder
Je hebt geen licht op je fiets. Dat is ...!
gevaarlijk
gezellig
Vandaag ben ik blij. Ik ... goed.
voel
voel me
Ik ga de kamer opruimen en ... luister ik naar muziek.
ondertussen
tussen
Het kleine meisje mag de weg niet alleen ...
overstappen.
oversteken.
Lees de zin.Kies het goede antwoord.
Je moet ... rijden. Niet zo snel!
verschrikkelijk
voorzichtig
Ik ... niet naar de dokter, want ik spreek niet goed Nederlands.
durf
mag
Iemand van 18 jaar of ouder is een ...
volkorenbrood.
volwassene.
We gaan niet met de auto naar Portugal. We gaan met het ...
interview.
vliegtuig.
De ... oefeningen zijn makkelijk, maar deze oefening vind ik moeilijk.
meestal
meeste
De jongen stopt en kijkt naar links en rechts. Hij kijkt goed ...
in.
uit.
In Nederland kun je niet ... op bezoek gaan. Je moet eerst even bellen.
zomaar
zonder
Je mag niet bellen in de auto. Dat is voor je eigen ...
veiligheid.
vertraging.
Lees de zin.Sleep het goede woord in de zin.
Ik drink liever cola dan bier. Ik hou niet van alcohol.Ik wil veilig rijden, dus ik bel niet in de auto.Mevrouw Fang krijgt zomaar bezoek. Dat is gezellig!
Lees de zin.
Sleep het goede woord in de zin.
Bellen in de auto is gevaarlijk. Je kan niet bellen en rijden.Het is donker en ik loop alleen op straat. Ik ben bang.Ik maak eten in de keuken. Ik bel ondertussen mijn vriendin.
Ik ben al een week ziek. Ik voel me slecht.De auto rijdt snel: met de fiets duurt de reis langer.Bij deze drukke straat moet je goed uitkijken.
Ik zie geen auto's. Kom, we kunnen de straat oversteken.Ik durf niet alleen met de trein te gaan. Ga je mee?Pas op! In deze straat gebeuren vaak ongelukken.
De meeste kinderen vinden snoepjes lekker.Een fietser rijdt op een fiets.Adnan eet en kijkt ondertussen tv.
In het water ligt een boot.Alcohol is voor kinderen een groot gevaar.Ik rijd voorzichtig op mijn nieuwe fiets. Ik kijk goed naar links en rechts.
Wat hoort bij elkaar?
veilig
het kind
de volwassene
de veiligheid
het gevaar
Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.