Draai je tablet om verder te gaan.

9 Is dat wel veilig?

Dat is levensgevaarlijk!

1 Doe de taak

Een onveilige situatie bij de gemeente melden

1

Luister naar de tekst en lees mee.

 

Dit is onveilig

Je luistert naar een paar onveilige situaties.

 

Een vrouw fietst op het fietspad.

Ze valt. Een man ziet het.

Man

Kan ik u helpen, mevrouw?

Vrouw

Dank je, het gaat wel hoor.

Ziet u dat gat in het fietspad?

Dat is levensgevaarlijk.

Man

Ja, dat moeten ze repareren.

Het vriest en het sneeuwt.

Zöe en Emma fietsen naar huis.

Zoë

Pas op!

De weg is hier heel glad.

Emma

Ja, ik zie het.

Laten we maar gaan lopen.

Zoë

Ze moeten hier zout strooien.

Dit is niet fijn.

Max loopt 's avonds met Abdul naar huis.

Max

Het is helemaal donker.

Ik kan niks meer zien.

Dat is eng!

Abdul

Ja, de straatverlichting doet het niet.

Loop maar langzaam.

We zijn bijna thuis.

Anna wil met haar oude moeder oversteken.

Anna

Kom mam, we kunnen oversteken.

Pak mijn hand maar.

O nee, daar komt een vrachtwagen.

En daarna komen weer een heleboel auto's.

O, en dan al die fietsers.

Waarom is hier geen stoplicht?

Of een zebrapad?

Dit is een onveilige situatie.

2

Werk samen. Kijk naar de foto’s. 

Welke situaties hoor je eerst? Welke daarna?
Sleep de foto naar nummer 1, 2, 3 of 4.

1

2

3

4

Kijk na

3

Vul het schema in. Gebruik opdracht 1.

Zoek de antwoorden in de tekst van opdracht 1.
Je kunt ook woorden opzoeken.

4

Werk samen. Luister naar het gesprek. Lees de zinnen hardop.

A begint.

Wissel daarna van rol.

 

A werkt bij de gemeente.

B ziet een onveilige situatie.

B belt de gemeente.

Een onveilige situatie melden

A: Met de gemeente.

   Kan ik u helpen?

B: Hallo, met Divya Patel.

   Ik wil een onveilige situatie melden.

A: Wat is het probleem?

B:  Ik zie een gat in het fietspad.

    Dat is gevaarlijk.

A: Wat moet de gemeente doen?

B: De gemeente moet het fietspad repareren.

A: Ik begrijp het. Bedankt.

B: Tot ziens.

A: Dag.

5

Werk samen. Praat samen. Gebruik opdracht 3 en 4.

A begint.

Wissel daarna van rol.

 

A werkt bij de gemeente.

B ziet een onveilige situatie.

B belt de gemeente.

Gebruik een situatie van opdracht 3.

 

A: Met de gemeente.

  Kan ik u helpen?

B: Hallo, met …

  Ik wil een onveilige situatie melden.

A: Wat is het probleem?

B: …

   Dat is …

A: Wat moet de gemeente doen?

B: De gemeente moet …..

A: Ik begrijp het. Bedankt.

B: …

A: Dag.

6

Werk samen. Doe opdracht 5 nog een keer.

Kies een andere situatie van opdracht 3.

7

Beantwoord de vragen.

Beschrijf een vervelende situatie in jouw buurt, bijvoorbeeld:

- een straat met veel verkeer

- de straat is vies

- iets is kapot

Je kunt ook woorden opzoeken.

 

1 Wat is het probleem?



2 Wat moet de gemeente doen?



8

Werk samen. Praat samen. Gebruik opdracht 7.

A begint.

Wissel daarna van rol.

 

A werkt bij de gemeente.

B ziet een onveilige situatie.

B belt de gemeente.

B gebruikt de situatie van opdracht 7.

9

Vul het formulier in.

Kies een situatie van opdracht 3 of schrijf over je eigen situatie.

Stuur naar je docent

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.