Luister naar de zin.
Lees de zin.
Kies het goede antwoord.
Ik heb ... het lawaai.
last op
last van
Goedemorgen, ik wil een probleem in mijn buurt ...
mailen.
melden.
Mijn broer werkt ... een basisschool.
in
op
Elke morgen ... ik mijn buurvrouw.
groet
groetjes
Zij praat ... haar docent.
met
tot
Wat doe je ...?
af en toe
precies
Dan moet u ... bellen.
zeker
zomaar
De docent ... aan elke cursist.
geeft aandacht
is aardig
Sleep het goede woord in de zin.
Ik heb het koud, dus ik doe het raam dicht.
Hou je van sport? Dan moet je zeker komen!
We hebben last van de hond van de buren. Hij blaft altijd.
De politie zorgt voor minder criminaliteit.
Ze wandelt elke dag met haar hond door het park.
Ik doe mijn fiets altijd op slot.
Alicia speelt met de baby. Ze geeft hem aandacht.
We hebben last van brommers in onze straat.
Ze belt de politie, want ze wil een diefstal melden.
Wat hoort bij elkaar?
Yusra werkt
op een school.
De kinderen lopen
door de buurt.
Hani praat vaak
met de buren.
Ik zie mijn buurman.
Ik groet hem.
Ik ben klaar met lezen.
Ik doe het boek dicht.
Ik ga naar buiten.
Ik doe de deur op slot.
Kies de goede reactie.
Wat doe je precies?
Ik heb veel ervaring.
Ik werk bij een apotheek.
Gaat u op vakantie?
Doe altijd uw ramen dicht.
Doe altijd uw ramen open.
Wat doet een agent?
Hij voelt zich onveilig.
Hij zorgt voor veiligheid.
Staat je fiets buiten?
Doe hem altijd dicht.
Doe hem altijd op slot.
Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.