Luister naar de zin.Lees de zin.Kies het goede antwoord.
Ik loop ... huis.
naar
tot
Kan ik ... helpen?
je
u
... snel naar school.
Ga
Ga maar
We zijn bijna ...
in huis.
thuis.
Kom ... hier.
dan
maar
De jongen fietst ... het fietspad.
in
op
... maar gaan slapen.
Laten we
Moeten we
Dat doe ik niet. Dat vind ik ...!
echt
eng
Ach, het ...
gaat goed.
gaat wel.
Lees de zin.Sleep het goede woord in de zin.
Dag mevrouw, kan ik u misschien helpen?Het sneeuwt buiten: alles is wit!De auto doet het niet. Hij is kapot.
Lees de zin.
Sleep het goede woord in de zin.
We zijn bijna thuis, nog vijf minuten.Mijn oude buurvrouw krijgt nooit bezoek. Dat vindt ze niet fijn.Je mag niet met de auto op het fietspad.
Het is al laat. Laten we maar gaan eten.In de winter vriest het soms.Ik kan niks meer kopen, want ik heb niet genoeg geld.
Wat hoort bij elkaar?
Het is heel koud.
Het vriest.
Het is nacht.
Het is donker.
Het is wit buiten.
Het sneeuwt.
Mijn fiets is kapot.
Ik moet naar huis.
Mijn geld is op.
Ik kan niks meer betalen.
Het is helemaal donker.
Ik kan niks meer zien.
Mijn telefoon doet het niet.
Ik kan niet bellen.
Luister naar de zin.Lees de zin.Kies de goede reactie.
Daar loopt een grote hond.
Dat vind ik eng!
Dat vind ik lekker!
Alles goed?
Het gaat wel.
Ik kan niet.
De vrouw valt op straat.
Dat is niet fijn.
Dat is prima.
De bus komt pas over twintig minuten.
Laten we maar gaan liggen.
Laten we maar gaan lopen.
Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.