Vertellen wat je hebt gedaan
A: Hoe is het met je?
B: Goed hoor en met jou?
A: Ook goed.
Wat heb je dit weekend gedaan?
B: Ik heb niet zoveel gedaan.
Ik heb naar een film gekeken.
A: Waar ben je naartoe gegaan?
B: Ik ben naar de markt gegaan.
A: Wat heb je gekocht?
B: Ik heb een trui gekocht.
A: Wat heb je gegeten?
B: Ik heb bij een vriend gehaktballen gegeten.
En we hebben samen thee gedronken.
A: Wat leuk!