Luister naar de zin.Lees de zin.Kies het goede antwoord.
Ze wandelden ... een mooie stad.
door
naar
We hebben ... mond.
dezelfde
hetzelfde
Lijk jij veel ... je moeder?
als
op
Dat kan ... gebeuren.
vaak
zomaar
Hij is ... vrolijk als ik.
net zo
zo
Onze neus ...
gaat vanzelf.
is hetzelfde.
De spullen liggen ... zolder.
in
Ik lijk ... op mijn vader.
meer
veel
Bram rookt de ene sigaret ...
en de andere.
na de andere.
Dit is mijn vriend. ... leuke jongen, hè!
Dat is een
Wat een
Lees de zin.
Sleep het goede woord in de zin.
Mijn buurman maakt vaak grapjes. Ik moet altijd lachen.Mijn zus lijkt meer op mijn moeder dan ik.Naima is heel sociaal. Ze praat graag met nieuwe mensen.
Boris is aardig en zijn zus ook. Ze zijn allebei aardig.
Lucy en ik hebben lang, bruin haar. Ons haar is hetzelfde.
Yasin is lang en dun, maar zijn broer is dik. Ze lijken niet op elkaar.
Is Pooya net zo oud als Eli? Of is hij ouder?
Het is heel warm. Felipe drinkt de ene fles water na de andere.
Onze baby slaapt goed en huilt nooit. Wat een lief kind, hè?
Wat hoort bij elkaar?
Robert lijkt
op zijn vader.
Tesfay maakt
altijd grapjes.
We wandelen vaak
door de buurt.
Lily en Amber zijn allebei
26 jaar.
Mijn vader is net zo streng
als mijn opa.
Mijn zus en ik hebben
dezelfde ogen.
Mijn broer en ik lijken niet
op elkaar.
Luister naar de zin.Lees de zin.Kies de goede reactie.
Wat doe jij meestal in het weekend?
Ik wil graag een afspraak maken.
Ik sport graag.
Waar staat de wasmachine?
Die staat onder de douche.
Die staat op zolder.
Ik ben mijn boek vergeten.
Dat kan gebeuren.
Dat valt mee.
Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.