Praten over een relatie
A: Heb je een relatie?
B: Ja, ik ben getrouwd.
A: Hoe lang kennen jullie elkaar?
B: We kennen elkaar drie jaar.
We zijn twee maanden geleden getrouwd.
A: Hoe heb je je partner ontmoet?
B: Ik heb mijn partner op school ontmoet.
We hebben dezelfde opleiding gedaan.
A: Heb je een relatie?
B: Nee, ik heb geen relatie.
A: Wil je een relatie?
B: Misschien, ik weet het niet.
A: Hoe kun je een partner ontmoeten?
B: Dat vind ik moeilijk, want ik ken niet zoveel mensen.
Misschien kan ik iemand via het internet ontmoeten.