Draai je tablet om verder te gaan.

14 Mijn zus woont in Zweden

We lijken op elkaar

1 Doe de taak

Het uiterlijk en het karakter van iemand beschrijven

1

Lees de tekst.

 

thema 14-taak 4-1-H-100%

2

Beantwoord de vragen. Gebruik opdracht 1.

In de tekst beschrijft Andrey het uiterlijk en het karakter van zijn familie.

Welke woorden horen bij uiterlijk?

Welke woorden horen bij karakter?

Schrijf de woorden op.

3

Beantwoord de vragen.

Welke woorden ken je nog meer voor uiterlijk en karakter?
Schrijf de woorden op. Zoek ook woorden op.

4

Werk samen. Luister naar het gesprek. Lees de zinnen hardop.

A begint.

Wissel daarna van rol.

Je uiterlijk en karakter beschrijven

A: Wat voor uiterlijk heb je?

B: Ik heb groene ogen.

     Ik heb lang, bruin haar.

     Ik ben niet zo lang.

A: Wat voor karakter heb je?

B: Ik ben vrolijk en sociaal.

      Ik ben soms grappig.

      Ik ben ook een beetje ongeduldig.

A: Op wie lijk je?

B: Ik lijk op mijn moeder, want we hebben hetzelfde haar.

      Ik lijk ook op mijn vader, want we zijn allebei ongeduldig.

5

Beantwoord de vragen.

 

1 Wat voor uiterlijk heb je?

Ik heb  .

Ik heb  .

Ik ben  .



2 Wat voor karakter heb je?

Ik ben  .

Ik ben  .

Ik ben  .



3 Op wie lijk je?

Ik lijk op  , want we  .

Ik lijk ook op  , want we  .



6

Werk samen. Praat samen. Gebruik opdracht 5.

A stelt de vragen van opdracht 5.

B geeft antwoord.

Wissel daarna van rol.

7

Werk samen. Praat samen.

A begint.

Wissel daarna van rol.

 

B denkt aan iemand in zijn familie of een vriend.

A stelt vragen over het uiterlijk en het karakter van die persoon.

B geeft antwoord.

8

Werk samen. Kijk naar de foto's. Beschrijf het uiterlijk.

A begint.

Wissel daarna van rol.

 

A kiest een foto. A zegt niet welke foto.

A beschrijft het uiterlijk van de persoon op de foto.

B zegt welke foto het is.

 

thema 14-taak 4-8-H-100%

9

Lees het bericht. Schrijf een reactie.

Je leest een bericht op internet.

Beschrijf een belangrijk persoon in je leven, zoals een vriend of vriendin, een broer of zus, etc.

Schrijf over:

- Wat voor uiterlijk heeft deze persoon?

- Wat voor karakter heeft deze persoon?

- Lijken jullie op elkaar?

Stuur naar je docent

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.