Werk samen. Praat samen. Gebruik opdracht 5.
A begint.
Wissel daarna van rol.
A vraagt aan B:
-
Wat moet de overheid met de belasting betalen?
-
Wat vind je belangrijk? Waarom?
-
Wat vind je niet zo belangrijk? Waarom niet?
B antwoordt in een hele zin en zegt ook waarom.
Vinden jullie dezelfde dingen belangrijk?
Zijn er verschillen? Welke verschillen?