Draai je tablet om verder te gaan.

2 Omgaan met anderen

Feesten en tradities

1 Woorden oefenen

1

Lees de zin. Kies het goede antwoord.

Op zondag werk ik niet. Dan ben ik ___.

Mark is op donderdag jarig, maar hij ___ zijn verjaardag op zaterdag. Dan komen de gasten.

Jezus is een belangrijk figuur voor mensen die ___ zijn.

Maria is nu ___ een Nederlander, want ze heeft een Nederlands paspoort gekregen.

In het dorp staat een oude ___. Sommige mensen die in God geloven, komen hier op zondag.

Mijn oma is ___. Ze gelooft dat God bestaat. Dat is belangrijk voor haar.

We doen veel boodschappen, want we gaan vanavond ___ koken. We maken veel eten.

___ mensen gaan soms naar de moskee. De profeet Mohammed is voor hen belangrijk.

Ik weet de ___ van dit woord niet. Ik zoek het in het woordenboek op.

Op een ___ dragen we mooie kleren en maken we lekker eten.

0 van de 10 goed.
Kijk na

2

Wat hoort bij elkaar?

christelijk

de kerk

islamitisch

de moskee

officieel

volgens de wet

uitgebreid

veel of groot

Kijk na

3

Wat hoort bij elkaar?

vieren

het feest

de vrije dag

niet werken

op bezoek gaan

de gasten

de traditie

de gewoonte

Kijk na

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.