Draai je tablet om verder te gaan.

3 Hoe gaat het?

Nasılsın?

Leuk je te zien!

Arkadaşlarla görüşmek

1 Doe de taak

Vragen en zeggen wat je wil drinken

1

Metni dinle ve aynı zamanda oku.

Luister naar de tekst en lees mee.

 

Rashida’nın bebeği oldu.

Miriam, Rashida’yı ziyaret ediyor.

Rashida, bir kız arkadaşı.
Rashida’nın bebeği oldu, oğlan.

 

- Selam, hoş geldin! 

İçeri gelsene

Nasılsın?

- İyiyim. 

Ufak adam nerede? 

- Uyuyor! 

Rahat bir bebek. 

- Ne güzel.

- Evet, aynen. Gel otur.

Bir şey içer misin?

- Evet, içerim.

- Ne istersin? 

Kahve mi, çay mı?

- Benim için fark etmez.

Sen ne içersin?

- Canım kahve istiyor.

- O zaman ben de kahve içerim. 

- Süt, şeker olsun mu?

- Evet, iyi olur. 

Hah, ses bebekten mi geliyor? 

- Evet! Benimle yukarıya çıkar mısın?

Rashida heeft een baby
Miriam gaat op bezoek bij Rashida. 
Rashida is een vriendin.
Rashida heeft een baby, een jongen.

Rashida

Hé, leuk je te zien!
Kom binnen.
Hoe is het?

Miriam

Ja, prima.
Waar is de kleine man?

Rashida

Die slaapt!
Het is een makkelijke baby.

Miriam

Dat is fijn.

Rashida

Ja, joh. Kom, ga zitten.
Wil je iets drinken?

Miriam

Ja, graag.

Rashida

Wat wil je?
Koffie, thee?

Miriam

Het maakt me niet uit.
Wat drink je zelf?

Rashida

Ik heb wel zin in koffie.

Miriam

Nou, dan neem ik ook koffie.

Rashida

Met melk en suiker?

Miriam

Ja, lekker.
Hé, hoor ik de baby?

Rashida

Ja!

Ga je mee naar boven?

2

Birlikte çalış.

1. alıştırmanın metnini yüksek sesle oku.

Werk samen. Praat over de vragen. Gebruik opdracht 1.

 

1. Hoe gaat het met de baby van Rashida?

2. Wat drinkt Rashida?

3. Wat drinkt Miriam?

4. Waar zijn Miriam en Rashida?

3

Werk samen. Luister naar de gesprekken. Lees de zinnen hardop.

A begint.

Wissel daarna van rol.

Vragen en zeggen wat je wil drinken

 

A: Wil je iets drinken?

B: Ja, lekker.

A: Wat wil je? Thee, koffie?

B: Koffie graag.

A: Met melk en suiker?

B: Ja, graag.

A: Alsjeblieft.

B: Dank je, lekker.

 

A: Wil je iets drinken?

B: Nee, dank je.

A: Echt niet? Een beetje water misschien?

B: Nee hoor, dank je wel.

4

Kendin ne içersin?
Yaz.

İnternet veya sözlükte de kelime bulmaya çalış.

Wat drink je graag? Schrijf op.
Zoek ook woorden op.



5

3. ve 4. alıştırmaya bak.

Ne içersin?

Doldur.

Vul in. Gebruik opdracht 3 en 4.

 

A: Wil je iets drinken?

B: Ja,  .

A: Wat  ?

B:   graag.

A:  .

B:  .

 

A: Wil je iets drinken?

B: Nee,  .

A: Echt niet?  ?

B: Nee,  .



6

Birlikte çalış.
5. alıştırmaya bak.

Werk samen. Lees de gesprekken van opdracht 5 hardop.

A begint.

Wissel daarna van rol.

7

Werk samen. Praat samen.

 

1 A begint. B gebruikt de foto's.

 

A: Wil je iets drinken?

B:

3.2.7A 300 3.2.7B 300

A: ...

B: ...

 

2 B begint. A gebruikt de foto.

 

B: Wil je iets drinken?

A: 

3.2.7C 300

B: ...?

A: ...

 

8

Werk samen. Doe opdracht 7 nog een keer, met een ander.

Kies zelf wat je wil drinken.

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.