Luister naar de zin.Lees de zin.Kies het goede antwoord.
Ik ben ... de stad.
in
op
Ik ga wel ... de supermarkt.
bij
langs
We hebben nog fruit ... huis.
uit
De worst is ... Ik ga worst kopen.
op.
uit.
Eten we brood ... de soep?
Het volkorenbrood is ... de aanbieding.
naar
Lees de zin.Sleep het goede woord in de zin.
Wat eten we vanavond?Vis is snel klaar.We hebben nog aardappels in huis.
Lees de zin.
Sleep het goede woord in de zin.
Wat hebben we nodig?
Koop maar een stuk worst.
Het zout is op. Je moet ook zout kopen.
Ik ga langs de supermarkt. Tot straks!
De suiker is op!
Neem ook een fles water mee.
Ik ben in de stad. Ik koop wel brood bij de supermarkt.
Wat hebben we nodig? Melk, yoghurt?
Wil je een toetje? Ik heb yoghurt met fruit.
Luister naar de zin.Lees de zin.Kies de goede reactie.
Ik ga wel langs de supermarkt.
Fijn.
Dat is het.
Wat eten we vanavond?
Dank je.
Vis.
Je moet brood en melk kopen.
Doe ik.
Wat hebben we nog in huis?
We hebben nog vis in de koelkast.
Soep is snel klaar.
Eten we brood bij de soep?
Prima.
Beterschap.
Neem ook bananen mee.
Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.