Praten over gezond en niet gezond
A: Eet je gezond?
B: Ja, ik eet meestal gezond.
Ik eet veel groente en fruit.
En jij?
A: Een beetje.
Ik eet vaak koekjes en snoepjes.
In koekjes en snoepjes zit veel suiker.
B: Ik eet soms patat en hamburgers.
Dat is ook niet gezond.
In patat en hamburgers zit veel vet.