Draai je tablet om verder te gaan.

4 Lekker!

Eet je gezond?

1 Woorden oefenen

1

Lees de woorden.
Kijk naar de plaatjes.
Zet de woorden bij de goede plaatjes.

het bed

de buik

de dokter

het koekje

Opnieuw invullen

2

Lees de woorden.
Kijk naar de plaatjes.
Zet de woorden bij de goede plaatjes.

de sla

het been

het snoepje

Opnieuw invullen

3

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Ik vind Albert Heijn te duur. Ik ga naar de Lidl.

Het is vrijdagavond 23.45 uur. Het is bijna zaterdag.

De baby is te dik. Dat is niet gezond.

Opnieuw invullen

4

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Ik eet graag zoete koekjes.

Ik haal bij de snackbar een hamburger.

Ik hou van Anna. Anna is echt een leuk meisje.

Opnieuw invullen

5

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Ik ga naar de dokter. Ik ben ziek.

Ik ben gelukkig. Ik heb gewoon geen problemen.

'Ben je te mager? Wie zegt dat?'

Opnieuw invullen

6

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Ik eet graag patat. Patat is eigenlijk niet gezond.

Mijn kind eet bijna niks. Mijn kind moet dus meer eten.

Ik eet te veel. Ik moet minder eten.

Opnieuw invullen

7

Lees de zin.

Sleep het goede woord in  de zin.

Ik moet afvallen. Ik eet te veel.

Ik weeg 90 kilo.

Ik kook lekker eten: rijst, vlees en groenten.

Opnieuw invullen

8

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Ik heb vaak buikpijn. Dat is echt vervelend.

Sla is een gezonde groente.

Snoepjes zijn niet gezond. Die zijn te zoet.

Opnieuw invullen

9

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Ik heb geen huis. Dat is een probleem.

Mijn vriend werkt in een snackbar.

Ik heb geen werk. Is dat mijn schuld?

Opnieuw invullen

10

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Je haalt patat bij de snackbar.

Je bent ziek.

Je hebt een mooie dochter.

Opnieuw invullen

11

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Je bent te mager. Je moet meer eten.

In boter zit veel vet.

Ik ben niet dik. Ik heb wel dikke benen.

Opnieuw invullen

12

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

We hebben een fijne dokter in de buurt.

Ik kan morgen niet komen. Sorry, ik kan echt niet.

Het is vijf voor zeven. Het is bijna zeven uur.

Opnieuw invullen

13

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Vijf euro voor een kilo bananen is veel te duur.

Mijn vrouw wil nog niet slapen. Ik ga gewoon naar bed.

'Zijn de chips op? Dat is niet mijn schuld. Jij eet altijd veel chips.' 

Opnieuw invullen

14

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Vette hamburgers zijn lekker!

'Ben je blij? Dat is fijn.' 

Eigenlijk ben ik te mager. Ik eet wel goed.

Opnieuw invullen

15

Wat hoort bij elkaar?

Je haalt

een zak patat bij de snackbar.

Je bent

erg blij.

Je kookt

erg lekker.

Opnieuw invullen

16

Wat hoort bij elkaar?

Je hebt

een probleem.

Je weegt

100 kilo.

Je kookt

gezond en lekker.

Opnieuw invullen

17

Wat hoort bij elkaar?

het snoepje

het koekje

mager

dik

de buik

de benen

Opnieuw invullen

18

Wat hoort bij elkaar?

de hamburger

de snackbar

de sla

de groente

meer

minder

Opnieuw invullen

19

Wat hoort bij elkaar?

het bed

slapen

tien kilo

afvallen 

een probleem

hebben

Opnieuw invullen

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.