Draai je tablet om verder te gaan.

4 Lekker!

Wat eten we vanavond?

1 Woorden oefenen

1

Lees de zin.
Kies het goede antwoord.

De kip is vandaag goedkoop. Het is in ...

'Wat wil je eten? Ik heb ... fruit.'

We eten om 19.00 uur. Dat is ...

Ik eet brood met ... en kaas.

Ik koop in de supermarkt een ... water.

Ik eet 's ochtends ... Ik drink thee.

Dat is een mooi, groot ...

Het eten is ... We gaan eten.

Ik eet graag vlees met ...

Het vlees ligt in ...

'Ga je vanmiddag ... de supermarkt? Ik heb brood nodig.'

Ik ga bij Ahmed op bezoek. Ik ... mijn kind mee.

Het kind is ziek. Het kind eet ...

'Ik ga langs de supermarkt. Wat heb je ...?'

14 van de 14 goed.
Opnieuw invullen

2

Lees de zin.
Kies het goede antwoord.

'Koop je ... rijst in de supermarkt?'

'Eten we ... vanavond? Dat is lekker.'

'Waar ben je?'
'Ik ... in de supermarkt.'

Ik ga ... naar de stad, over een uur.

Ik koop ... worst.

We eten kip met rijst en ook ...

Ik koop in de supermarkt een ...

'Wat eten ... vanavond?'

... is lekker. Het is meestal zout.

'Koop je een pak ...?'

Ik drink thee ... suiker.

Ik doe ... in de soep.

12 van de 12 goed.
Opnieuw invullen

3

Lees de zin.
Sleep het goede woord in de zin.

Ik koop een kilo zout in de supermarkt.
‘Drink jij koffie met of zonder suiker?’
Ik loop langs het huis van Ahmed.

Opnieuw invullen

4

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Ik koop een stuk kaas.

'Heb je nog uien en knoflook in huis?'

In de koelkast liggen groenten en vlees.

Opnieuw invullen

5

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Dat is een mooie aanbieding! Een volkorenbrood voor 1 euro.

Ik doe allerlei  boodschappen: groenten, fruit, vlees, vis en kaas.

Yoghurt met fruit is lekker.

Opnieuw invullen

6

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

'Koop je een pak melk in de winkel?'

'Ik ben in de supermarkt. Ik neem een stuk kaas mee.' 

'De soep is klaar. Kom je eten?' 

Opnieuw invullen

7

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Ik doe altijd veel boter op mijn brood.

Het avondeten is van 18.00 uur tot 21.00 uur. 

Ik sta nu in de winkel. Ik neem melk en yoghurt mee.

Opnieuw invullen

8

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Vanavond eten we soep, met brood.

Ik koop twee flessen water in de winkel.

Ik koop twee broden. Een volkorenbrood en een ander brood. 

Opnieuw invullen

9

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

Ik heb niks nodig. Ik heb nog allerlei eten in huis.

Mijn vriend woont in Amsterdam. Het huis van mijn vriend is klein.

'Kom je straks koffie bij me drinken? Ik ben over een half uur thuis.'

Opnieuw invullen

10

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

'Wat heb je nodig? Vlees, vis, groenten?' 

De worst is in de aanbieding. Een groot stuk voor 2 euro.

Vlees zonder zout is niet lekker.

Opnieuw invullen

11

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

'Wil je vanavond ook een toetje?'

Ik koop een stuk worst, van 300 gram.

De worst ligt in de koelkast.

Opnieuw invullen

12

Lees de zin.

Sleep het goede woord in de zin.

'Wat eten we? Is het eten klaar?'

Ik eet graag brood. Met boter en kaas.

Ik wil nu niet eten. Ik eet niks.

Opnieuw invullen

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.