Praten over het avondeten
A: Wat eten we vanavond?
B: Soep? Dat is snel klaar.
A: Ja, lekker. Wat hebben we in huis?
B: We hebben groenten in huis.
A: Oké, ik ga boodschappen doen.
Wat hebben we nodig?
B: Je moet boter en knoflook kopen.
Het zout is ook op.
A: En vlees?
B: Nee, ik wil geen vlees.
Neem een fles water mee.
A: Doe ik.