Draai je tablet om verder te gaan.

15 Het is een jongen!

Gefeliciteerd met jullie dochter!

1 Doe de taak

Iemand feliciteren met een geboorte.

1

Lees de tekst.

 

    2

    Werk samen. Praat over de vragen. Gebruik opdracht 1.

    1. Welke gewoontes hebben mensen in Nederland als er een baby is geboren? Noem drie dingen.
    2. Wat vind je van deze gewoontes?
    3. Welke informatie in de tekst was nieuw voor je?

    3

    Werk samen. Praat over de vragen.

    Praat allebei over gewoontes in je familie of in je herkomstland.

    1. Welke gewoonte hebben mensen als er een baby is geboren?
    2. Hoe vertellen mensen aan familie en vrienden dat de baby is geboren?
    3. Wanneer gaan familie en vrienden op visite bij de nieuwe ouders?
    4. Welke cadeaus geven mensen als er een baby is geboren?

    4

    Werk samen. Lees de zinnen hardop.

    A begint.

    Wissel daarna van rol.

     

    A en B zijn buren.

    B heeft een baby gekregen.

    Iemand feliciteren met een geboorte

    A: Hé, gefeliciteerd met de baby.

    B: Dankjewel.

    A: Hoe gaat het met jullie?

    B: Goed hoor.

          We zijn doodmoe, maar we zijn ook heel gelukkig.

    A: Ja, dat snap ik.

          Hoe gaat het met de baby?

    B: Goed, ze is nu drie weken oud.

    A: Vinden jullie het leuk als ik op visite kom?

           Ik ben benieuwd naar de baby.

    B: Ja, natuurlijk. Gezellig.

    A: Welke dag is handig voor jullie?

           Zal ik morgen komen?

    B: Nou, morgen krijgen we al bezoek.

          Misschien is vrijdag beter.

    A: Oké, dan kom ik op vrijdag. Hoe laat?

    B: Rond twee uur? Dan slaapt de baby meestal niet.

    A: Ja, dat is goed. Leuk, tot vrijdag.

    B: Tot vrijdag!

    5

    Werk samen. Bedenk een reactie.

    Wat kun je zeggen? Schrijf op.

    1. Je ziet je buurman. Zijn vrouw is gisteren bevallen van een baby.

    Wat zeg je tegen de buurman? Wat vraag je?



    2. Je buren hebben een baby van vier weken oud. Je gaat op visite.

    Wat zeg je tegen je buren? Wat vraag je?



    3. Je collega heeft een baby van twee maanden oud. De collega vraagt: Kom je langs? Kom je naar de baby kijken?

    Wat zeg je tegen je collega?



    4. Een collega heeft zes maanden geleden een baby gekregen. Nu is ze weer terug op werk.

    Wat zeg je tegen je collega? Wat vraag je?



    6

    Werk samen. Praat samen.

    A begint.

    Wissel daarna van rol.

     

    A en B zijn buren.

    B heeft een baby gekregen.

    A feliciteert B.

    A vraagt iets over de baby

    A wil op visite komen en vraagt wanneer (dag en tijd).

    B geeft antwoord.

    7

    Lees het bericht en schrijf een reactie.

    Je krijgt een bericht van je collega Jeimy.

    Feliciteer je collega.

    Stel een vraag over op visite komen (dag en tijd).

    Stuur naar je docent

    8

    Lees het bericht.

    Je collega Jeimy reageert op je bericht.

      9

      Werk samen. Praat samen. Kijk naar opdracht 8.

      A begint.

      Wissel daarna van rol.

       

      A is de collega Jeimy.

      B belt A voor een afspraak.

      Kies een dag en een tijd.

      Foutje!

      Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.