Werk samen. Praat samen.
A kijkt naar het schema.
B kijkt niet naar het schema.
B stelt vragen aan A:
1 Wat doet Sekou iedere dag?
2 Welke sporten doet Sekou?
3 Op welke dag beweegt Sekou het meest?
4 Wat doet Sekou thuis om te bewegen?
5 Beweegt Sekou veel of weinig? Wat denk je?
A kijkt in het schema en geeft antwoord.
Sekou is 28 jaar. Wanneer beweegt hij? Dat zie je in het schema.