Draai je tablet om verder te gaan.

19 Bewegen en zwaar werk

Ik wandel elke dag

1 Doe de taak

Praten over bewegen en sport

1

Lees de tekst.

 

thema 19-taak 1-1-H-100%

2

Beantwoord de vragen. Gebruik de tekst van opdracht 1.

1. Waarom is bewegen belangrijk? Schrijf twee redenen op uit de tekst.



2. Sara heeft een gezond gewicht. Hoeveel moet ze per dag bewegen? Welk advies staat er in de tekst?



3. Stefania wil vaker ‘matig intensief bewegen’. Wat kan ze bijvoorbeeld doen?



4. Haroon is niet gewend om veel te bewegen. Hoe kan hij beginnen? Welk advies staat er in de tekst?



3

Werk samen. Praat over opdracht 2.

  1. Vergelijk jullie antwoorden bij opdracht 2.
  2. Waar staat het antwoord in de tekst?
  3. Hoe kun je het antwoord snel in de tekst zoeken?

4

Werk samen. Praat samen.

A kijkt naar het schema.

B kijkt niet naar het schema.

 

B stelt vragen aan A:

1 Wat doet Sekou iedere dag?

2 Welke sporten doet Sekou?

3 Op welke dag beweegt Sekou het meest?

4 Wat doet Sekou thuis om te bewegen?

5 Beweegt Sekou veel of weinig? Wat denk je?

 

A kijkt in het schema en geeft antwoord.

 

Sekou is 28 jaar. Wanneer beweegt hij? Dat zie je in het schema.

thema 19-taak 1-4-H-100%

5

Werk samen. Praat samen.

B kijkt naar het schema.

A kijkt niet naar het schema.

 

A stelt vragen aan B:

1 Hoeveel minuten wandelt Lina per dag met de hond?

2 Op welke dagen beweegt Lina het meest?

3 Welke sport doet Lina?

4 Wat doet Lina samen met andere mensen?

5 Beweegt Lina veel of weinig? Wat denk je?

 

B kijkt in het schema en geeft antwoord.

 

Lina is 44 jaar. Wanneer beweegt ze? Dat zie je in het schema.

thema 19-taak 1-5-H-100%

6

Vul het schema in.

Wanneer beweeg je? Wat doe je? Hoelang beweeg je? Vul in.

 

7

Werk samen. Praat samen. Gebruik opdracht 6.

A begint.

Wissel daarna van rol.

 

A stelt de vragen aan B:

1 Wat doe je iedere dag?

2 Op welke dag beweeg je het meest?

3 Doe je een sport? Welke sport doe je? Wanneer?

4 Wat doe je thuis om te bewegen?

5 Wat doe je samen met andere mensen?

6 Beweeg je veel of weinig? Wat denk je?
 

B kijkt in het schema van opdracht 6 en geeft antwoord.

8

Werk samen. Lees de situaties. Beantwoord de vragen.            

1. Abas is buschauffeur. Tijdens zijn werk zit hij veel. Abas wil graag meer bewegen, maar ’s avonds en in het weekend is hij moe.

Wat kan hij doen?

Schrijf een advies op.

 

Hij kan ...



2. Melania zit op school, ze werkt niet. Ze wil graag sporten, maar ze heeft niet zo veel geld.

Wat kan ze doen?

Schrijf een advies op.

 

Ze kan ...



3. Adina beweegt niet zoveel. Ze wil graag sporten, maar ze is dat niet gewend. Ze zegt: ‘Ik kan niet sporten, mijn conditie is slecht’.  

Wat kan ze doen?

Schrijf een advies op.

 

Ze kan ...



4. Nelson en Samantha willen meer bewegen, maar ze hebben een druk gezin met drie kleine kinderen.

Wat kunnen ze doen?

Schrijf een advies op.

 

Ze kunnen ...



9

Werk samen. Praat samen. Gebruik opdracht 8.

A kiest een situatie van opdracht 8.

A vraagt B om een advies.

A vraagt: Wat kan ik doen?

B geeft advies en zegt: Je kan…

10

Lees het bericht. Schrijf een reactie.

Een vriend stuurt je een bericht.

  • Geef een advies aan je vriend.
  • Schrijf over je eigen sporten of manier om te bewegen.
  • Reageer op zijn laatste vraag: Wil je samen sporten?
Stuur naar je docent

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.