Luister naar de zin.
Lees de zin.
Kies het goede antwoord.
Ik had een ... werkdag.
zware
zwarte
Dat ... niet goed.
klinkt
klopt
De lift ... stuk.
ging
was
Mijn rug is ... stijf.
heel vaak
helemaal
Het was te ... voor mijn rug.
zacht
zwaar
Het ging ... goed.
heel erg
Je moet ... lopen.
heen en weer
veel meer
Mijn knieën ... pijn.
doen
hebben
... het druk?
Is
Was
Roeien lijkt me ... dan surfen.
lekkerder
leuker
Dat ben ik niet ...
geweest.
gewend.
Sleep het goede woord in de zin.
Yalda heeft van 17.00 tot 23.00 uur gewerkt. Ze had een zware avond.
Ik moest een grote doos tillen. Het was heel zwaar voor mijn armen.
Eva heeft de hele dag gelopen. Ze kan niet meer op haar benen staan.
Het boek valt op mijn voet. Au!
Morgen heb ik een vrije dag. Heerlijk!
Ik zag veel mensen op het station. Het was druk.
Wat hoort bij elkaar?
Mijn armen
doen pijn.
De vrouw
loopt heen en weer.
Het café
is helemaal vol.
Mijn beeldscherm
ging stuk.
Dat ben ik niet
Kies de goede reactie.
Kijk uit, een deur!
Au!
Bah!
Hoe ging het vandaag?
Het ging helemaal goed.
Zo goed als nieuw.
Ik ben al twee weken verkouden.
Dat klinkt niet goed.
Dat smaakt niet goed.
Wat vind je leuker: basketbal of zwemmen?
Basketbal lijkt me leuker dan zwemmen.
Dat lijkt me niet lekker.
Ben je moe?
Ik kan niet meer op mijn benen staan.
Ik kan niet meer op mijn handen staan.
Morgen hebben we eindelijk vakantie.
Heerlijk!
Verschrikkelijk!
Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.