Lees de woorden.
Kijk naar de plaatjes.
Zet de woorden bij de goede plaatjes.
zwemmen
sporten
optillen
Lees de woorden.Kijk naar de plaatjes.Zet de woorden bij de goede plaatjes.
de arm
de vinger
de speeltuin
de sportschool
het zwembad
Lees de zin.
Kies het goede antwoord.
Maya zit de hele dag achter de computer. Ze ... niet veel.
beweegt
weegt
Hij ... alleen. Zijn familie woont niet in Nederland.
leeft
schrijft
Chan heeft een ... baan. Hij werkt lange dagen.
rustige
zware
Volgend weekend hebben we een gezellige ...: een feest in onze buurt.
aanbieding
activiteit
Mensen hebben twee ... en twee benen.
armen
ramen
Manuel is gek op voetbal. Hij ... drie keer per week.
traint
trouwt
Morgen is het ook nog warm. Het blijft ... lekker weer.
direct
voorlopig
Kun jij vanavond ...? Ik moet werken.
oppassen
opvoeden
Mijn telefoon doet ... meer. Hij is leeg.
niets
precies
Kom je zaterdag op mijn feest? Ik ... het!
hoop
verkoop
Hier is zo veel lawaai. Ik kan je ... niet horen.
haast
voldoende
Meneer Vos wil afvallen. Hij moet meer ...
bewegen.
eten.
De volgende keer kom ik op tijd. Ik ... het!
beloof
bestel
Nina is vandaag niet op haar werk. Ze is ... ziek.
vast
zacht
Ik wil niet meer lezen, want ik heb ... hoofdpijn.
ernstige
giftige
Houda heeft een ... aan haar been. Ze mag een paar weken niet voetballen.
bericht
blessure
In de klas ... regels: je mag bijvoorbeeld niet bellen.
gelden
melden
U ontvangt ... op 15 april een reactie van ons. Dat is de laatste datum.
duidelijk
uiterlijk
Sleep het goede woord in de zin.
Zaterdag en zondag is het weekend.
De bus is al 20 minuten te laat. Hij heeft vast vertraging.
Vandaag voel ik me beter dan gisteren.
Rafi doet elke dag een zware training in de sportschool.
Ik heb pijn in mijn been. Ik kan voorlopig niet sporten.
De winkel is tot uiterlijk 22.00 uur open, dus niet langer.
Welke activiteit vind je leuker: fietsen of zwemmen?
Iwan heeft het zo druk. Hij heeft haast geen tijd voor zijn vrienden.
Mevrouw Rinaldi zit altijd binnen. Ze is ernstig ziek.
Volgende week help ik je met klussen. Ik beloof het.
Beterschap! We hopen dat je snel beter bent.
Ying leeft gezond: ze sport elke dag en eet veel groente.
Julia houdt van fietsen, maar dat geldt niet voor mij.
Wat hoort bij elkaar?
vandaag
gisteren
iets
fietsen
lopen
de baby
de hand
de blessure
de pijn
het weekend
zaterdag
een zware tas
in de sportschool
trainen
in de speeltuin
spelen
Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.