Vragen of iemand met je meegaat
A: Hallo, met mij.
Zullen we in het weekend samen naar het zwembad gaan?
B: Ja leuk, ik ga met je mee.
Wanneer gaan we?
A: Op zaterdag, om twee uur?
B: Dat is goed.
Hoe gaan we?
A: Ik ga met de fiets, want dat is het snelst.
En jij?
B: Ik ga met de bus, want mijn fiets is kapot.
Waar zien we elkaar?
A: Bij de ingang van het zwembad.
B: Oké. Leuk. Tot dan!