Praten over een feest
A: Welk feestdag vier je graag?
B: Ik vier graag Koningsdag.
A: Wanneer is dat?
B: Het is ieder jaar op 27 april.
A: Met wie vier je het feest?
B: Met mijn vrienden.
A: Hoelang duurt het feest?
B: Het duurt één dag.
A: Wat doe je?
B: Ik loop in de stad.
Er is veel muziek. Het is gezellig.
Ik eet en drink lekker.
A: Wat eet en drink je?
B: Ik eet friet en hamburgers.
Ik drink frisdrank.
A: Wat voor kleren draag je?
B: Ik draag kleren in de kleur oranje.
A: Geef je cadeaus?
B: Nee, ik geef geen cadeaus.