Luister naar de zin.
Lees de zin.
Kies het goede antwoord.
... jij het adres van Fiona?
Weet
Wil
We gaan ... naar België.
een paar dagen
1 maal per dag
Kan ik morgen vrij ...?
nemen
zijn
Dat is een goed plan. Ik ga het ...
vertellen.
voorstellen.
Ik weet het niet ...
zeker.
zomaar.
... jij het even aan de docent?
Zeg
Vraag
Ik wil de prijs van deze broek ...
wegen.
weten.
Hij praat veel ... zijn werk.
op
over
De kinderen ... op het schoolplein.
gaan
staan
Sleep het goede woord in de zin.
Weet jij de naam van die vrouw? Hoe heet ze?
Donderdag en vrijdag neem ik vrij. Dan ben ik niet op mijn werk.
Priya wil vakantie nemen. Eerst moet ze toestemming vragen aan haar baas.
Waar ben je nu? Sta je op het station?
Olga en Zina praten vaak over hun kinderen.
Zaterdag gaan we gezellig een dagje uit, naar het strand.
Zondag gaan we op bezoek bij Pauls ouders. Gezellig!
Ik ga een paar dagen weg: van woensdag tot en met vrijdag ben ik niet thuis.
Ik koop niks meer bij die dure winkel. Dat is geld weggooien.
We wachten al twintig minuten op de trein.
Ik denk het, maar ik weet het niet zeker.
Kun je twee dagen vrij nemen op je werk?
Wat hoort bij elkaar?
Hoe laat gaat onze trein? Ik weet
het niet zeker.
Waar is de Hema? Ik vraag
het even.
Wanneer is de vakantie? Ik wil
het precies weten.
Kies de goede reactie.
Wat doen jullie morgen?
We gaan een dagje uit.
We moeten hier uitstappen.
Volgende week neem ik vrij.
Heb je korting gevraagd?
Heb je toestemming gevraagd?
Hebben jullie dit weekend plannen?
We gaan op bezoek bij de buren.
We maken ruzie met de buren.
Wat een goed idee!
Ik ga het bestellen.
Ik ga het voorstellen.
Tweehonderd euro voor een jas vind ik veel te duur!
Dat is geld uitgeven.
Dat is geld weggooien.
Wat doe je?
Ik sta op de wachtlijst.
Ik wacht op mijn kinderen.
Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.