Lees de woorden.
Kijk naar de plaatjes.
Zet de woorden bij de goede plaatjes.
De slagerij
Het schoolplein
De kantine
De rij
Het kaartje
Lees de zin.
Kies het goede antwoord.
Na februari en maart komt ...
april.
mei.
Mijn nieuwe ... is erg aardig. Hij helpt soms met het werk.
baan
baas
Een feest met alle buren vind ik een goed idee. Ik ga het ...
bestellen.
voorstellen.
Dit telefoonnumer werkt niet. Het is een ... nummer.
verkeerd
verkouden
De zus van mijn vader of moeder is mijn ...
nicht.
tante.
Mijn ... is er vandaag niet. Kan ik u misschien helpen?
collega
contact
Je moet nog even ... hebben: nog 2 dagen werken en dan heb je vakantie.
geduld
gelijk
Elba wil vandaag eerder naar huis. Ze vraagt ... aan haar baas.
toestemming
verbinding
Die man loopt buiten zonder schoenen. Dat is ...!
gek
gewoon
Ik ga nu niks beslissen. Ik wil eerst ...
afgeven.
afwachten.
Ga je niet naar buiten? ...? Het is lekker weer.
Hoeveel
Hoezo
Deze winkel is erg ... Je kunt hier goedkoop booschappen doen.
voordelig.
voorzichtig.
We gaan met de auto van Amsterdam naar Parijs. We rijden door een ander land, door ...
België.
Rotterdam.
Ik begin ... met koken. Ik heb namelijk zin in eten!
alvast
nauwelijks
Je ... vandaag geen boodschappen te doen. We hebben niks nodig.
hebt
hoeft
Volgende week heb ik niet veel tijd, maar de week ... wel.
erna
eruit
Je moet de bon niet ... Die heb ik nodig.
strooien.
weggooien.
Sleep het goede woord in de zin.
Noor en ik werken allebei in deze winkel. We zijn collega's.
Onze kinderen hebben les van juf Linda.
De broer van mijn vader woont in België. Hij heet oom Zaki.
België is een land vlak bij Nederland.
Ik vind het Suikerfeest gezellig. Op die dag eten we samen met de hele familie.
Wanneer hebben we vakantie? In april of mei?
Morgen is een feestdag. Dan hoeven we niet naar school.
Jij doet boodschappen, ik kook. Dat stel ik voor.
Je stuurt een e-mail en krijgt direct antwoord.
De kinderen spelen samen op het schoolplein.
Kom je langs de slagerij? Wil je worst meenemen?
Dit weekend ga ik uit, het weekend erna niet. Dan moet ik trainen.
Straks komen Sarah en Yonas op bezoek. Ik ga alvast koffie zetten.
Kom je morgen niet? Hoezo?
Ze drinken koffie in de kantine van de school.
Wat hoort bij elkaar?
de baas
het werk
de juf
de school
het vlees
de slagerij
lekker eten
het Suikerfeest
de oom
de tante
juist
normaal
voordelig
duur
bewaren
weggooien
hebben
vragen
in de rij
staan
het antwoord
afwachten
kaartjes
kopen
een folder
Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.