Luister naar de tekst.
Kies het goede antwoord.
Wat is er gebeurd?
Elsa had vanmorgen hoofdpijn.
Elsa nam vanmorgen een paracetamol.
Wat heeft Elsa gedaan?
Ze liep naar de supermarkt.
Ze fietste naar de supermarkt.
Wat is er op straat gebeurd?
De telefoon viel uit haar zak.
De telefoon viel uit haar handen.
Wat is er in de supermarkt gebeurd?
Elsa had geen geld bij zich.
Elsa had niet genoeg geld bij zich.
Wat is er bij haar huis gebeurd?
Elsa had geen huissleutel bij zich.
De huissleutel viel uit haar zak.
Elsa ging terug naar de supermarkt. Wat is er op straat gebeurd?
De band van haar fiets was lek.
Elsa kon haar fiets niet vinden.
Sleep de goede woorden in de tekst.
Wat een pech!
Elsa belt haar vriendin Faiza.
Hé Elsa, alles goed?
Nou, het gaat even niet zo lekker.
Ik heb een ongelofelijke rotdag gehad.
Wat is er dan gebeurd?
Heb je even tijd of ben je druk bezig?
Ik heb alle tijd. Vertel.
Nou, vanmorgen werd ik al wakker met hoofdpijn. En ik had geen paracetamol en geen eten in huis.
Daarom ging ik snel op de fiets naar de Jumbo.
Maar mijn telefoon zat in mijn jaszak en die viel onderweg op straat. Kapot!
Het glas was gebroken. En hij was net nieuw.
Ai.
Ja, heel naar.
Nou, bij de Jumbo stond gelukkig geen lange rij voor de kassa.
Ik zette mijn boodschappen op de band en wilde afrekenen.
Maar ik had geen portemonnee en geen pinpas bij me! Dus ik moest terug naar huis.
Vervolgens kwam ik erachter dat ik ook geen huissleutel bij me had!
Gelukkig was de buurman thuis, die heeft een reservesleutel.
Ik haalde thuis mijn portemonnee op en ging naar de supermarkt terug.
En wat denk je? Toen kreeg ik een lekke band!
Nou ja, uiteindelijk ben ik met de boodschappen thuisgekomen, maar inmiddels was de ochtend al bijna voorbij.
En toen moest ik nog naar de fietsenmaker. En ik moest mijn telefoon laten repareren.
Luister naar de tekst en lees mee.
Ik zette mijn boodschappen op de de band en wilde afrekenen.
Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.