Draai je tablet om verder te gaan.

16 We hebben een probleem

Kunt u het repareren?

1 Doe de taak

Een probleem beschrijven en zeggen wat je wilt

1

Lees de tekst.

 

taak 2-1-100%

2

Werk samen. Praat over de vragen. Gebruik opdracht 1.

  1. Wat is een Repaircafé?
  2. Wie werken bij een Repaircafé?
  3. Wat moet je meenemen?
  4. Hoeveel kost het?

3

Lees de situaties. Kruis aan.
Wat doe je met kapotte spullen?

4

Werk samen. Praat over opdracht 3.
A begint.
Wissel daarna van rol.

A vraagt: Wat doe je als…?
Bijvoorbeeld: Wat doe je als je wasmachine kapot is?

B antwoordt: Ik…

5

Werk samen. Luister naar de gesprekken. Lees de zinnen hardop.
A begint.
Wissel daarna van rol.

Een probleem beschrijven en zeggen wat je wilt
A: Goedemorgen, hoe kan ik u helpen?
B: Goedemorgen, ik heb een probleem.
      Ik heb vorige week een nieuwe telefoon gekocht.
      Ik heb hem vanochtend op straat laten vallen.
      En nu is het scherm helemaal gebroken.
      Kunt u het scherm repareren?
A: Zeker, ik kan het scherm vervangen.
B: Oh heel fijn, doe dat maar.

A: Goedemiddag, wat kan ik voor u doen?

B: Goedemiddag, mijn schoenen zijn kapot.

      Ik heb ze twee maanden geleden gekocht.
      Ik draag ze bijna elke dag. 
      Kunt u ze repareren?
A: Heeft u de schoenen meegenomen?
     Dan zal ik even kijken.

6

Kijk naar de foto. Wat is het probleem? Schrijf op.

1. shutterstock_738898018 (1)



2. shutterstock_1981341041 (1)



3. shutterstock_283876961 (1)



4. shutterstock_1788170570 (1)



5. shutterstock_549099367 (1)



7

Werk samen. Praat over de vragen. Gebruik opdracht 6.

  1. Vergelijk jullie zinnen van opdracht 6. Lees de zinnen hardop.
  2. Kijk naar de foto’s van opdracht 6. Je wilt het laten repareren. Naar welke winkel kun je gaan? Zoek eventueel woorden op.

8

Werk samen. Praat samen. Gebruik opdracht 6.
A begint.
Wissel daarna van rol.

Kies een foto van opdracht 6.
A gaat naar de winkel.
A beschrijft het probleem.
A zegt wat hij wil.
B reageert.

9

Werk samen. Praat samen. Gebruik de foto.
A begint.
Wissel daarna van rol.
 

A kijkt naar de foto.
A gaat naar de winkel.
A beschrijft het probleem.
A zegt wat hij wil.
B reageert.

 

16.2.9

10

Schrijf een e-mail.

Je hebt vorige maand een nieuwe laptop gekocht. De laptop is nu al kapot. Kijk naar de foto.
 

16.2.10

 

Schrijf een e-mail naar de winkel. Schrijf:

  • Wat is het probleem?
  • Wat wil je?
Stuur naar je docent

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.