Werk samen. Praat samen. Gebruik opdracht 5 en de foto.
A begint.
Wissel daarna van rol.
A werkt bij de gemeente.
B belt de gemeente.
B gebruikt de foto.
A gebruikt de informatie van opdracht 5.
A: Goedemorgen, wat kan ik voor u doen?
B: Goedemorgen, ik wil graag …
A: Dat kan. Welk afval heeft u?
B: Ik heb …
A: Oké, wat is uw adres en postcode?
B: …
A: En uw naam?
B: …
A: Goed, we komen …
B: Wanneer mag ik het grofvuil buiten zetten?
A: …
B: En waar kan ik het zetten?
A: Bij …
B: Oké, dank u wel.