Lees de woorden.
Kijk naar de plaatjes.
Zet de woorden bij de goede plaatjes.
het hoofd
het keukentrapje
de taxi
de heup
het bloed
de ambulance
Lees de zinnen.
Kies het goede antwoord.
Dat mes is heel ... Pas op!
scherp.
schoon.
De trein vertrekt bijna. We moeten naar het station ...
remmen.
rennen.
Joris ... zijn been bij het voetballen.
breekt
brengt
Mijn jas valt op de ... Nu is hij vies.
grond.
stoel.
... ging het heel hard regenen. We hadden geen paraplu bij ons.
Ineens
Weleens
Je mag op deze weg maar 50 ... per uur rijden.
kilometer
meter
Het kind steekt ... de weg over.
plotseling
precies
De man ... zijn hond. Hij luistert niet.
roept
rookt
Die peuter kan niet goed lopen. Ze ... haar evenwicht.
vergeet
verliest
De baby brult heel hard. Ik ...
schrijf.
schrik.
Op de ... rijden de auto's heel hard.
snelweg
stoep
Je moet altijd ... voor het rode stoplicht.
rekenen
remmen
Lees de zin.
Er is veel verkeer op de weg. Alle auto's staan ...
stevig.
stil.
Deze hond is gevaarlijk. Hij ...
bijt.
slaapt.
Ik houd van poezen. Je kunt ze altijd ...
aaien.
aantrekken.
Nu is het eindelijk mooi weer. ... week was het nog zo koud!
Afgelopen
Afgesproken
Er zit ... op je trui. Wat is er gebeurd?
bloed
bloem
Sara viel van de trap. Ze verloor haar ...
ervaring.
evenwicht.
Je moet je schoenen uitdoen. We hebben net een nieuwe ...
vloer.
voet
Ik ... op het trapje naar de zolder.
klim
klink
Ze is gevallen met de fiets. Haar ... doet pijn.
heup
hulp
De post kwam heel ... We hadden hem niet verwacht.
plotseling.
prachtig.
Waarom ... je? Praat eens zacht.
roep
ruik
Glas is erg ... Pas op!
Sleep het goede woord in de zin.
Pas op! Je mag deze hond niet aaien.
Mijn ouders waren afgelopen weekend op visite.
Ze viel hard op haar knie, maar het bloedt gelukkig niet.
We schrikken erg van dat harde geluid.
Zijn hoofd bloedt heel erg. Er zit een gat in.
Ik moet elke dag tien kilometer fietsen naar school.
Je mag niet rennen op de gang!
Zij nemen nooit een taxi. Dat vinden ze te duur.
Lees de zin.Sleep het goede woord in de zin.
De auto voor ons moest heel hard remmen.
Ik botste met mijn fiets tegen een auto op.
Je tas ligt op de grond.
De tafel heeft een scherpe punt.
Ik ga op een keukentrapje staan. Die kast is veel te hoog.
Op de snelweg rijden de auto's hard.
De trein staat stil. Waarom rijden we niet verder?
Ze is op haar hoofd gevallen. Ze gaat naar de dokter.
Een minuut heeft zestig seconden.
Hij bijt een stukje uit de appel.
We belden meteen de ambulance.
Mijn moeder stofzuigt iedere dag de vloer.
Het licht is kapot. Het is ineens helemaal donker.
In de vakantie gaan we altijd wandelen en klimmen in Zweden.
Ik botste tegen die mevrouw op. Ik zag haar niet.
Wil jij nog een punt van de pizza?
Wat hoort bij elkaar?
het evenwicht
verliezen
een heup
breken
de hond
aaien
Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.