Lees de woorden.
Kijk naar de plaatjes.
Zet de woorden bij de goede plaatjes.
de portemonnee
de zak
de band
de huissleutel
de fietsenmaker
het ei
Lees de zin.
Kies het goede antwoord.
Het gaat niet goed. Ik heb een ... rotdag.
ongelofelijke
onmogelijke
Ik kan niet betalen. Ik heb geen ... bij me.
portemonnee
probleem
Ik ben mijn sleutel vergeten. Gelukkig heb ik een ...
reserve.
retour.
We willen vroeg naar bed. We willen om 22.00 uur ...
thuiskomen.
opschieten.
Mijn fiets was vorige week kapot, maar ... is hij gemaakt.
inderdaad
inmiddels
Ik moest lang wachten. ... was ik na een uur aan de beurt.
Uiteindelijk
Vanzelfsprekend
Mijn fiets is kapot. Er zit een gat in de ...
band.
bank.
Ik ga om 23.00 uur slapen en ik word om 8.00 uur ...
vrolijk.
wakker.
Ik ga eerst douchen. ... ontbijt ik.
Verder
Vervolgens
Ik ben vandaag de hele dag ... met mijn huiswerk.
bezig
blij
De lopende ... in de supermarkt is kapot.
bal
band
Het is avond. De middag is al ...
voorbij.
voorlopig.
Ik ben ... Ik ben over tien minuten thuis.
ondertussen.
onderweg.
Mijn fiets is kapot. Wat een ...
pech.
pijn.
Ik ben te laat omdat mijn band ... is.
lek
lelijk
Ik had vanmorgen veel haast. Gelukkig was ik ... op tijd.
net
niet
Deze jurk heeft twee ...
zaken.
zakken.
Ik ... dat ik mijn portemonnee ben vergeten.
kom erachter
kom terug
Deze broek heeft geen ... Dat vind ik niet fijn.
zak.
zakgeld.
Dit wijnglas is ... Ik pak een nieuwe.
gebroken.
gezellig.
Ik zet mijn boodschappen op de ... voor de kassa.
baan
Zal ik het ... koken of bakken?
ei
etiket
Sleep het goede woord in de zin.
Mijn fiets is kapot. Ik ga naar de fietsenmaker.
Waar zijn mijn sleutels? Ze zitten niet in mijn jaszak.
Ik heb geen tijd. Ik ben druk bezig.
Ik moest vijf minuten wachten. Dat was zo voorbij.
Mijn telefoon is gevallen. Het beeldscherm is gebroken.
Ik was vorige week ziek, maar inmiddels ben ik weer beter.
Ik werd te laat wakker. Daarom was ik te laat in de les.
Ik heb dat boek besteld op internet. Het is nu naar me onderweg.
Wat vind je van mijn trui? Hij is net nieuw.
Ik zal je een ongelofelijk verhaal vertellen.
Eerst viel mijn telefoon op straat. Vervolgens ging mijn fiets kapot. Wat een pech!
We hebben de trein gemist, dus we komen later thuis.
Het was heel druk in het ziekenhuis. Uiteindelijk moesten we bijna een uur wachten.
De vrachtwagen heeft pech. Hij staat stil.
Ik kom erachter dat mijn zus morgen jarig is. Ik moet nog een cadeau kopen.
De kinderen hebben een huissleutel. Ze kunnen altijd naar binnen.
Wat hoort bij elkaar?
een lekke
een reserve
huissleutel
Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.