Draai je tablet om verder te gaan.

16 We hebben een probleem

Kun je me even helpen?

1 Doe de taak

Hulp vragen en hulp aanbieden

1

Luister naar de tekst en lees mee.

 

Wat een pech!

Elsa belt haar vriendin Faiza.

Faiza

Hé Elsa, alles goed?

Elsa

Nou, het gaat even niet zo lekker. 

Ik heb een ongelofelijke rotdag gehad.

Faiza

Wat is er dan gebeurd?

Elsa

Heb je even tijd of ben je druk bezig?

Faiza

Ik heb alle tijd. Vertel.

Elsa

Nou, vanmorgen werd ik al wakker met hoofdpijn. En ik had geen paracetamol en geen eten in huis.

Daarom ging ik snel op de fiets naar de Jumbo.

Maar mijn telefoon zat in mijn jaszak en die viel onderweg op straat. Kapot!

Het glas was gebroken. En hij was net nieuw.

Faiza

Ai.

Elsa

Ja, heel naar.

Nou, bij de Jumbo stond gelukkig geen lange rij voor de kassa.

Ik zette mijn boodschappen op de band en wilde afrekenen. 

Maar ik had geen portemonnee en geen pinpas bij me! Dus moest ik terug naar huis.

Vervolgens kwam ik erachter dat ik ook geen huissleutels bij me had!

Gelukkig was de buurman thuis, die heeft een reservesleutel.

Ik haalde thuis mijn portemonnee op en ging naar de supermarkt terug.

En wat denk je? Toen kreeg ik een lekke band!

Nou ja, uiteindelijk ben ik met de boodschappen thuisgekomen, maar inmiddels was de ochtend al bijna voorbij.

En toen moest ik nog naar de fietsenmaker. En ik moest mijn telefoon laten repareren.

Faiza

Wat een pech!

2

Beantwoord de vraag. Gebruik opdracht 1.   
Waarom had Elsa pech? Schrijf vijf redenen op.

 

 

 

 

 



3

Werk samen. Praat over de vragen.

Lees de situaties. Wat doe je?

  1. Je bent in de supermarkt. Je wilt betalen, maar je bent je portemonnee vergeten. Wat doe je?
  2. Je bent je huissleutels vergeten. Je kunt niet in je huis. Wat doe je?
  3. Je hebt net boodschappen gedaan. Je wilt nu gaan koken. Je hebt zout nodig, maar je hebt geen zout. Wat doe je?
  4. Je wilt op de fiets naar school gaan, maar de band van je fiets is lek. Het is al laat. Wat doe je?
  5. Je telefoon valt uit je zak. Hij valt op straat en is kapot. Wat doe je?
     

4

Werk samen. Luister naar de gesprekken. Lees de zinnen hardop.
A begint.
Wissel daarna van rol.

Hulp vragen
A: Ik ben mijn portemonnee vergeten.
      Kan ik misschien geld van je lenen? 
      Je krijgt het natuurlijk terug.
B: Zeker, geen probleem.

A: Ik kan mijn telefoon niet vinden.
      Kun je me even helpen met zoeken?
B: Ja, natuurlijk. Ik bel je even. 

A: De band van mijn fiets is lek.
      Kan je me misschien helpen?
B: Natuurlijk, wil je mijn fiets lenen?

Hulp aanbieden
A: Dat is een zware tas!  
      Kan ik je helpen?
B: Oh heel graag, dankjewel.

A: Ik ga volgende week verhuizen.
B: Wat leuk. Heb je hulp nodig?
A: Oh nee hoor, dankjewel.

 

A: Hé, gaat het?
      Kan ik iets voor je doen?
B: Nee, nee hoor, ik heb gewoon een rotdag.

5

Kijk naar de foto’s. Vraag hulp. Schrijf de zinnen op. 

1. Je bent op school. Je moet iemand bellen. Je vraagt hulp aan een andere cursist. Wat zeg je?

shutterstock_1040286748 (1)



2. Je krijgt een brief. Je vraagt hulp aan een vriendin. Wat zeg je?

shutterstock_600977732 (1)



3. Je bent op het station. Je wilt met de trein naar Utrecht. Je ziet een bord. Je vraagt hulp. Wat zeg je?

16.1.5.3.bijgesnedenjpg



4. Je gaat op vakantie. Je vraagt hulp aan je buren. Wat zeg je?

shutterstock_600977732 (1)



5. Je wilt naar school gaan. Je hebt een belangrijk toets. Je zoekt je fiets. Je vraagt hulp. Wat zeg je?

shutterstock_789389779 (1)



6

Werk samen. Praat samen. Gebruik opdracht 5.
A begint.
Kies een situatie van opdracht 5.
A vraagt hulp. 
B reageert.

Wissel daarna van rol. Kies een andere situatie.

7

Kijk naar de foto’s. Bied hulp aan. Schrijf de zinnen op.

1. Je loopt op de trap. Je ziet je buren. Je biedt je hulp aan. Wat zeg je?

shutterstock_35710255 (1)



2. Je loopt buiten. Je ziet een man. Je biedt je hulp aan. Wat zeg je?
shutterstock_1098883910 (1)



3. Je fietst op straat. Je ziet een auto. Je biedt je hulp aan. Wat zeg je?

shutterstock_1130039342 (1)



4. Je bent op school. Je ziet een andere cursist. Je biedt je hulp aan. Wat zeg je?
shutterstock_1499024066 (1)



5. Je bent in de supermarkt. Je ziet een vrouw. Je biedt je hulp aan. Wat zeg je?
shutterstock_1567414435 (1)



8

Werk samen. Praat samen. Gebruik opdracht 7.
A begint.
Kies een situatie van opdracht 7.
A biedt hulp aan.
B reageert.

Wissel daarna van rol. Kies een andere situatie.

9

Schrijf een bericht.
Je hebt hulp nodig. Kies een situatie van opdracht 5 of bedenk zelf een situatie.
Je wilt hulp vragen aan een vriend of vriendin.

 

Schrijf:

  • Waarom heb je hulp nodig?
  • Wanneer heb je hulp nodig?
  • Wat kan de vriend(in) voor je doen?
     
Stuur naar je docent

10

Lees het bericht en schrijf een reactie.
Je krijgt een bericht van een vriendin.
Reageer op het bericht en bied je hulp aan.

Stuur naar je docent

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.